Toen zag ik een grote witte troon en hem die erop gezeten was. Hem voor wie aarde en hemel vluchtten en nooit meer werden gezien. En ik zag de doden, belangrijke en gewone mensen, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. En er werd een ander boek geopend, het boek van de levenden. De doden werden geoordeeld op grond van wat in de boeken stond opgeschreven, op grond van hun daden. En de zee gaf de doden die ze borg weer terug, en de dood en het dodenrijk gaven hun doden terug, en iedereen werd geoordeeld op grond van zijn daden. En de dood en het dodenrijk werden in de vuurzee gegooid. Dit is de tweede dood, de zee van vuur. En als bleek dat iemand niet was opgetekend in het boek van de levenden, dan werd hij in de vuurzee geworpen.
Posts tonen met het label score3. Alle posts tonen
Posts tonen met het label score3. Alle posts tonen
De Betrouwbare en de Waarachtige
Ik zag de hemel open en er verscheen een wit paard, bereden door hem die de Betrouwbare en de Waarachtige heet. het was hij die oordeelt en strijdt in gerechtigheid. Zijn ogen vlamden als vuur; op zijn hoofd droeg hij veel kronen en er stond een naam op geschreven die niemand kende dan hij alleen. Het gewaad dat hij droeg, was doordrenkt van bloed. Zijn naam is: “Het Woord van God”. De hemelse legers volgden hem op witte paarden en gehuld in smetteloos wit linnen. Uit zijn mond komt een scherp zwaard waarmee hij de ongelovige volken neerslaat. Hij is een herder met een ijzeren staf, hij zal ze vertreden als druiven in de wijnpers van de verschrikkelijke toorn van God, de Almachtige. Op zijn gewaad, op de hoogte van zijn heup, stond deze naam geschreven: “De hoogste koning en de opperste Heer”.
Toen zag ik een engel op de zon staan. Luid riep hij tegen alle vogels aan de hoge hemel: “Kom allemaal naar het grote maal dat God aanricht! Kom het vlees eten van koningen, legeraanvoerders en soldaten, het vlees van paarden en hun berijders, het vlees van allen, vrijen en slaven, geringe en machtige mensen!”
Daarna zag ik dat het beest en de koningen der aarde met hun legers zich verzamelden en de strijd aanbonden met hem die op het paard zat, en met zijn leger. Het beest werd gevangengenomen, evenals de valse profeet die in zijn bijzijn wondertekenen had verricht waarmee hij de mensen misleidde die het merkteken van het beest droegen en zijn beeld aanbaden. Het beest en de valse profeet werden levend in een zee van vuur gegooid, een zee van zwavel. Hun aanhang werd gedood door het zwaard dat uit de mond kwam van hem die het paard bereed, en alle vogels vraten zich vol aan hun vlees.
“Een vrouw moet stil en volgzaam naar het onderricht luisteren”
Ik wil dat de mannen overal bij het bidden hun handen met toewijding opheffen zonder aan wraak of onenigheid te denken. Ik wil ook dat de vrouwen daarbij passend gekleed zijn en zich bescheiden en ingetogen opmaken. Laten ze niet willen opvallen door hun haardracht, gouden sieraden, juwelen of dure kleren maar door goede daden, zoals dat hoort bij vrouwen die ervoor uit willen komen dat ze God eren.
Een vrouw moet stil en volgzaam naar het onderricht luisteren. Ik sta niet toe dat ze onderricht geeft of gezag uitoefent over mannen. Nee, ze moet stil zijn. Adam is het eerst geschapen, daarna Eva. En Adam werd niet misleid; het was de vrouw, die zich liet misleiden en het gebod van God overtrad. Maar ze zal kinderen ter wereld brengen en zo gered worden, als ze volhardt in geloof, liefde en een God toegewijd en ingetogen leven.
God versus man versus vrouw
Ik vind het prijzenswaardig dat u in alle omstandigheden aan mij blijft denken en u houdt aan de overleveringen die ik u heb doorgegeven. Daarbij moet u wel dit weten: Christus is het hoofd van elke man, de man is het hoofd van zijn vrouw, en God is het hoofd van Christus.
Als een man iets op zijn hoofd heeft wanneer hij bidt of uit naam van God spreekt, maakt hij zijn hoofd te schande. Maar een vrouw maakt haar hoofd te schande als ze blootshoofds bidt of uit naam van God spreekt. Want dan staat ze gelijk met een vrouw die is kaalgeschoren. Als dus een vrouw in zo'n geval niets om haar hoofd wil doen, kan ze evengoed haar haren laten afknippen. Maar zou ze het een schande vinden als haar haar kortgeknipt of afgeschoren was, laat ze dan wel iets omdoen.
Een man hoeft niets op te zetten, wat hij is het beeld van God en een afstraling van zijn glorie. Maar de vrouw straalt de glorie van de man uit. Want de man is niet ontstaan uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. De man is ook niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. En als teken daarvan is de vrouw daarom verplicht iets op haar hoofd te dragen, met het oog op de engelen. …
Oordeel zelf: is het fatsoenlijk dat een vrouw blootshoofds tot God bidt? Leert ook de natuur zelf niet dat lang haar voor de man een schande is, maar voor de vrouw juist een eer? Want voor de vrouw is lang haar bedoeld als een sluier. Als iemand dit zo nodig wil betwisten, dan wil ik er wel op wijzen dat het bovenstaande onze gewoonte is en ook die van de gemeenten van God.
De commune
De groep van gelovigen was één van hart en ziel. Niemand eiste iets van wat hij bezat voor zichzelf op, integendeel: alles was gemeenschappelijk bezit. Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af van de opstanding van de Heer Jezus, en Gods zegen was over hen allen. Er was niemand onder hen die gebrek leed. Want wie landerijen of huizen bezaten, verkochten die. Het geld van de verkoop brachten ze naar de apostelen en ze legden het aan hun voeten neer. En iedereen kreeg zoveel toebedeeld als hij nodig had.
Zo was er een zekere Jozef die door de apostelen Barnabas werd genoemd, wat Man van troost betekent; hij was een leviet, afkomstig van Cyprus. De akker die hij bezat, verkocht hij en het geld bracht hij naar de apostelen en legde het aan hun voeten neer.
Een zekere Ananias verkocht samen met zijn vrouw Saffira ook een stuk land. Met haar medeweten hield hij een deel van de opbrengst achter en bracht de rest naar de apostelen en legde die aan hun voeten neer. “Ananias,” zei Petrus, “waarom heeft Satan uw hart vervuld en u ertoe gebracht de heilige Geest te bedriegen en een deel van de opbrengst achter te houden? Het land was vóór de verkoop toch uw eigendom en na de verkoop was de opbrengst toch ook van u? Wat heeft u bezield om zo te handelen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God!” Bij het horen van die woorden viel Ananias dood neer.
En allen die ervan hoorden, werden met diep ontzag vervuld. Een paar jongemannen stonden op en legden een kleed over hem heen; toen droegen ze hem weg en begroeven hem. Ongeveer drie uur later kwam Ananias' vrouw binnen, onkundig van wat er gebeurd was. “Is dat de prijs waarvoor jullie dat land hebben verkocht?” vroeg Petrus haar. “Ja,” antwoordde ze, “dat is het.”
“Hoe hebben jullie samen kunnen besluiten de Geest van de Heer op de proef te stellen!” hernam Petrus. “Hoor! Voor de deur klinken de voetstappen van hen die uw man begraven hebben, en ook u zullen ze uitdragen.” Meteen viel ze dood aan zijn voeten neer. Binnengekomen troffen de jongemannen haar dood aan; ze droegen haar weg en begroeven haar bij haar man. Heel de gemeente werd met diep ontzag vervuld en ook allen die ervan hoorden.
Jezus drijft geesten in een kudde varkens
Toen hij aan land was gegaan, kwam uit de stad een man op hem af. Het was iemand die bezeten was. Hij liep altijd zonder kleren rond en een huis had hij niet; hij woonde in de grafspelonken. Toen hij Jezus zag, gaf hij een schreeuw, viel voor hem neer, en riep: “Jezus, Zoon van de allerhoogste God, wat wilt u van me? Ik smeek u: pijnig me niet!”
Jezus had namelijk de onreine geest bevel gegeven uit de man weg te gaan. Al dikwijls had die geest hem meegesleurd en dan hadden de mensen hem aan handen en voeten gebonden om hem in bedwang te houden. Maar elke keer verbrak hij zijn boeien en werd hij door die demon de woestijn ingedreven. Jezus vroeg hem: “Wat is uw naam?” “Legio,” antwoordde hij. Want veel demonen waren bij de man ingetrokken.
En de demonen smeekten hem, dat hij hun niet zou opdragen zich in de afgrond te storten. Nu werd daar op de helling van een heuvel een grote kudde varkens gehoed. De demonen vroegen hem toestemming om bij die varkens hun intrek te nemen; hij stond hun dat toe. En ze gingen weg uit de man en trokken in bij de varkens, en de kudde stormde de helling af, het meer in en verdronk.
Toen de varkenshoeders zagen wat er gebeurde, vluchtten ze weg en vertelden het overal in de stad en op het land. De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. Bij Jezus gekomen, vonden ze de man aan zijn voeten zitten, nu bevrijd van de demonen, gekleed en bij zijn volle verstand. Ze schrokken ervan.
Vrijbrief voor antisemitisme
“Maar wat moet ik dan doen met Jezus die Christus wordt genoemd?” “Kruisigen!” riepen ze allemaal. “Maar waarom? Wat heeft hij dan gedaan?” Maar zij schreeuwden nog harder: “Aan het kruis met hem!”
Pilatus merkte dat hij niets bereikte; het tumult werd alleen maar groter. Daarom liet hij een schaal met water brengen, waste zijn handen voor de ogen van de menigte en zei: “Ik ben onschuldig aan het vergieten van zijn bloed. Het is jullie zaak.”
Maar het hele volk riep: “Zijn bloed op ons en onze kinderen!”
Wie niets heeft, wordt alles afgenomen
“Het is als met iemand die op reis ging. Hij riep zijn dienaars bij zich en vertrouwde hun zijn eigendommen toe. Aan de ene gaf hij vijfduizend goudstukken, aan een andere tweeduizend en aan een derde duizend; ieder kreeg wat hij aankon. Toen vertrok hij. onmiddellijk ging de dienaar die vijfduizend goudstukken had gekregen, er zaken mee doen en hij verdiende er vijfduizend bij. Zo deed ook de tweede en hij verdiende er tweeduizend bij. Maar de dienaar die duizend goudstukken had gekregen, ging een gat graven en verstopte het geld van zijn heer daarin.
Een hele tijd later keerde de heer van die dienaars terug en hij riep hen ter verantwoording. De dienaar die vijfduizend goudstukken had gekregen, kwam naar hem toe en overhandigde hem er nog vijfduizend: Heer, u hebt mij er vijfduizend gegeven, kijk, ik heb er nog vijfduizend bijverdiend. Uitstekend, zei zijn heer. Je bent een goed en trouw dienaar. Iets kleins heb je goed beheerd, nu zal ik je over iets groots aanstellen. Kom binnen en vier feest met mij. Toen kwam de dienaar die er tweeduizend had gekregen: Heer, u hebt mij er tweeduizend gegeven, kijk, ik heb er tweeduizend bijverdiend. Uitstekend, zei zijn heer. Je bent een goed en trouw dienaar. Iets kleins heb je goed beheerd, nu zal ik je over iets groots aanstellen. Kom binnen en vier feest met mij. Toen kwam ook de man die er duizend had gekregen: Heer, ik weet dat u streng bent, en u oogst waar u niet hebt uitgezet. Ik was bang en ben daarom uw geld in de grond gaan verstoppen. Hier hebt u het weer terug.
Jij slechte, luie dienaar! antwoordde zijn heer hem. Je wist dus dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en oogst waar ik niet heb uitgezet. Waarom heb je mijn geld dan niet op de bank gezet? Dan had ik het bij mijn thuiskomst met rente kunnen opvragen. Neem hem die duizend goudstukken af en geef ze aan hem die er al tienduizend heeft! Want iedereen die iets heeft, krijgt nog meer en heeft overvloed. Maar wie niets heeft, hem zal wat hij heeft, nog worden afgenomen. En gooi die nutteloze dienaar eruit, de duisternis in! Daar zal hij huilen en knarsetanden!”
Jezus is tegen echtscheiding en voor castratie
Ze wilden hem op de proef stellen en vroegen: “Mag een man van zijn vrouw scheiden om wat voor reden dan ook?” Hij antwoordde: “Hebt u niet gelezen dat de Schepper hen van het begin af gemaakt heeft als man en vrouw en dat hij zei: Daarom verlaat een man zijn vader en moeder om zich te hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één zijn. Zij zijn dus niet langer twee, maar één. Wat God zo heeft samengevoegd, mag een mens dus niet scheiden.”
“Waarom heeft Mozes de man dan voorgeschreven zijn vrouw een scheidingsakte mee te geven wanneer hij haar wegstuurt?” vroegen de Farizeeën. “U mocht van Mozes scheiden van uw vrouwen, omdat u zo onverbeterlijk bent,' antwoordde hij. “Maar in het begin was het niet zo! Ik zeg u: een man die zijn vrouw wegstuurt en met een ander trouwt, begaat echtbreuk, behalve in het geval van ontucht.”
Zijn leerlingen zeiden tegen hem: “Als de verhoudingen tussen man en vrouw zo liggen, kun je beter niet trouwen.” “Niet iedereen staat open voor wat ik nu ga zeggen,” antwoordde hij, “alleen zij aan wie het gegeven is. Er zijn mensen die niet kunnen trouwen, omdat ze nu eenmaal zo geboren zijn. Er zijn er die niet kunnen trouwen, omdat ze door mensen voor het huwelijk ongeschikt zijn gemaakt. Maar en zijn er ook die van het huwelijk afzien met het oog op het hemelse koninkrijk. Laat wie dat kan, ervoor openstaan.”
Jezus doet snobistisch, en verdrijft een demon
Iemand uit de menigte antwoordde: “Meester, ik kwam mijn zoon bij u brengen. Hij is in de macht van een duivelse geest en kan niet praten. Als die geest hem overmeestert, gooit hij hem tegen de grond. Het schuim staat hem dan op de mond, hij knarst met de tanden en wordt helemaal stijf. Ik vroeg uw leerlingen die geest uit te drijven, maar ze konden het niet.”
Jezus zei: “Wat bent u voor mensen! U hebt geen geloof! Hoelang moet ik nog bij u zijn, hoelang moet ik u nog verdragen? Breng hem bij me!”
Ze brachten de jongen bij hem. Zodra de geest Jezus zag, deed hij de jongen stuiptrekken. Deze viel op de grond en rolde heen en weer, het schuim op de mond. “Hoelang heeft hij dit al?” vroeg Jezus aan de vader. “Van kindsbeen af,” antwoordde de man. “Dikwijls was het bijna zijn dood, doordat die geest hem in het vuur of in het water gooide. Maar als u iets kunt doen, heb dan medelijden en help ons.” “Als u kunt?” zei Jezus. “Alles kan voor wie gelooft.” Onmiddellijk riep de vader van de jongen uit: “Ik geloof, maar help mij als mijn geloof tekortschiet!”
Toen Jezus merkte dat de mensen steeds meer opdrongen, sprak hij de onreine geest streng toe: “Jij, geest, die stom en doof maakt, ik beveel je: ga uit hem weg en kom niet meer terug.” Onder luid geschreeuw en met heftige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg. De jongen bleef als dood liggen en bijna iedereen zei dan ook: “Hij is dood.” Maar Jezus pakte hem bij de hand en hielp hem overeind, en hij stond op.
Jezus wast zijn handen niet
Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem kwamen naar Jezus toe en vroegen: “Waarom overtreden uw leerlingen de tradities van onze voorouders? Want ze wassen hun handen niet als ze gaan eten.”
Hij antwoordde: “En waarom overtreedt zelfs u het gebod van God met uw traditie? Want God zegt: Eer uw vader en uw moeder, en: Ieder die zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden. ...”
Jezus zwaait met het zwaard
“Denk niet dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen. Ik ben geen vrede komen brengen maar het zwaard. Ik ben immers gekomen om verdeeldheid te brengen tussen vader en zoon, tussen moeder en dochter, tussen schoonmoeder en schoondochter. Ja, familieleden zullen vijanden van elkaar worden. Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard. Wie meer van zijn zoon of dochter houdt dan van mij, is mij niet waard. Ook wie zijn kruis niet opneemt om mij te volgen, is mij niet waard. Wie aan zijn leven vasthoudt, zal het verliezen, maar wie zijn leven durft te verliezen omwille van mij, zal het vinden.”
Jezus verfoeit echtscheiding en prijst zelfverminking
“U hebt gehoord dat er gezegd is: Pleeg geen echtbreuk. Maar ik zeg u: wie met begeerte naar de vrouw van een ander kijkt, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd. Als uw rechteroog u van de rechte weg doet afdwalen, ruk het dan uit en gooi het weg. Het is beter dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat, dan dat heel uw lichaam in de hel gegooid wordt. En als uw rechterhand u van de rechte weg doet afdwalen, hak hem dan af en gooi hem weg. Het is beter dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat, dan dat heel uw lichaam in de hel terechtkomt.”
“Er is ook gezegd: Wie van zijn vrouw gaat scheiden, moet haar een scheidingsakte meegeven. Maar ik zeg u: wie van zijn vrouw scheidt, maakt haar tot een echtbreekster als ze opnieuw trouwt, behalve in het geval van ontucht. En de man die met haar trouwt, pleegt ook echtbreuk.”
Lofdicht op de echtgenote
sirach 25:15-26
Geen erger gif dan het gif van een slang,
geen erger woede dan de woede van een vrouw.
Ik huis veel liever met een leeuw of een draak
dan met een kwaadaardige vrouw.
De kwaadaardigheid van een vrouw
verandert haar oogopslag
en verduistert haar gezicht
tot zij eruit ziet als een berin.
Al zit haar man aan tafel tussen zijn buren,
onwillekeurig moet hij bitter zuchten.
Alle kwaad valt in het niet
vergeleken bij een kwade vrouw:
het lot van de zondaar zal op haar vallen.
Als een zanderige helling voor de voeten van een grijsaard,
zo is een praatzieke vrouw voor een rustige man.
Bezwijk niet voor de schoonheid van een vrouw
en zet je zinnen niet op wat zij bezit.
Het is een harde slavernij en een grote schande
als een vrouw haar man onderhoudt.
Een vernederd hart, een somber gezicht en hartzeer:
die komen van een kwaadaardige vrouw.
Slappe handen en knikkende knieën:
die komen van een vrouw die haar man niet gelukkig maakt.
Bij een vrouw is de zonde begonnen
en door haar moeten wij allen sterven.
Laat het water niet de vrije loop
een een boosaardige vrouw niet de vrijheid van spreken.
Als zij niet aan jouw zijde wandelt,
snijd haar dan af van je vlees.
Geen erger gif dan het gif van een slang,
geen erger woede dan de woede van een vrouw.
Ik huis veel liever met een leeuw of een draak
dan met een kwaadaardige vrouw.
De kwaadaardigheid van een vrouw
verandert haar oogopslag
en verduistert haar gezicht
tot zij eruit ziet als een berin.
Al zit haar man aan tafel tussen zijn buren,
onwillekeurig moet hij bitter zuchten.
Alle kwaad valt in het niet
vergeleken bij een kwade vrouw:
het lot van de zondaar zal op haar vallen.
Als een zanderige helling voor de voeten van een grijsaard,
zo is een praatzieke vrouw voor een rustige man.
Bezwijk niet voor de schoonheid van een vrouw
en zet je zinnen niet op wat zij bezit.
Het is een harde slavernij en een grote schande
als een vrouw haar man onderhoudt.
Een vernederd hart, een somber gezicht en hartzeer:
die komen van een kwaadaardige vrouw.
Slappe handen en knikkende knieën:
die komen van een vrouw die haar man niet gelukkig maakt.
Bij een vrouw is de zonde begonnen
en door haar moeten wij allen sterven.
Laat het water niet de vrije loop
een een boosaardige vrouw niet de vrijheid van spreken.
Als zij niet aan jouw zijde wandelt,
snijd haar dan af van je vlees.
God laat de overmoedige Antiochus IV levend wegrotten
In die tijd moest Antiochus uit Perzië wegvluchten. … Razend van woede vatte hij het plan op om de Judeeërs te laten boeten voor de vernedering die hem was aangedaan door het volk dat hem op de vlucht had gejaagd. Hij gaf zijn wagenmenner daarom het bevel om zonder onderbreking door te rijden en de weg zo snel mogelijk af te leggen.
Maar het vonnis van de hemel haalde hem in. In zijn trots had hij gezegd: “Zodra ik in Jeruzalem ben , maak ik van die stad een begraafplaats van Judeeërs.” De Heer die alles ziet, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onbekende kwaal. Want nauwelijks had hij die woorden gezegd of hij kreeg in zijn ingewanden een gruwelijke pijn en voelde een hevig inwendig lijden.
Dat was zijn verdiende loon, omdat hij anderen met allerlei doortrapte folteringen in de ingewanden had gepijnigd. Toch volhardde hij in zijn overmoed. Van trots vervuld spuwde hij in zijn woede vuur en vlam tegen de Judeeërs en beval nog sneller te rijden. Terwijl ze met onstuimige vaart voortreden, viel hij opeens van de wagen en werd zo ongelukkig tegen de grond gesmakt, dat al zijn ledematen ontzet waren. De man die zoëven nog in zijn bovenmenselijke verwaandheid gemeend had de golven van de zee te kunnen bevelen en zich verbeeld had hoge bergen op een schaal te kunnen wegen, moest nu van de grond worden opgeraapt en in een draagstoel worden gezet.
Zo was hij een sprekend bewijs van Gods macht. Het werd zo erg met hem dat de wormen uit zijn ogen kropen en dat onder vreselijke pijnen het vlees in stukken van zijn levend lichaam afviel. Zijn rottende lichaam verspreidde zo'n stank dat heel het leger er last van had. Bij de man die pas nog gemeend had de sterren van de hemelen te kunnen grijpen, kon niemand het meer uithouden door de ondraaglijke stank.
De martelaren moedigen elkaar aan om heldhaftig te sterven
Ook zeven broers werden aangehouden, samen met hun moeder, en op bevel van de koning sloeg men ze met stokken en riemen om ze zo te dwingen het verboden varkensvlees te eten. En van hen vroeg de koning namens hen allemaal: “Wat verlangt u van ons en wat wilt u van ons leren? Wij zijn eerder bereid om te sterven, dan de leer van onze voorvaderen te overtreden.”
Woedend gaf de koning het bevel om pannen en ketels heet te stoken. Zodra die gloeiend waren, liet hij hun woordvoerder de tong afsnijden, de huid van het hoofd afstropen en zijn handen en voeten afhakken voor de ogen van zijn broers en zijn moeder. Toen liet hij hem, geheel verminkt maar nog levend, naar het vuur brengen en in de pan braden.
Terwijl de walm uit de pan zich ver verspreidde, moedigden de overige broers en hun moeder elkaar aan om heldhaftig te sterven. Ze zeiden: “God de Heer ziet op ons neer en zal zich zeker over ons ontfermen, zoals Mozes het verklaard heeft in het lied waarin hij openlijk getuigt: Hij zal zich over zijn dienaren ontfermen.”
Nadat de eerste zo gestorven was, ging men de tweede folteren. Zij stroopten de huid met haren en al van zijn hoofd en vroegen hem: “Wil je eten in plaats van deel voor deel over heel je lichaam gepijnigd te worden?” Hij antwoordde in zijn moedertaal: “Nee!” Daarom kreeg ook hij dezelfde martelingen te verduren. Alvorens te sterven zei hij nog: “Jij, ontaarde boosdoener, je ontneemt ons nu wel het leven, maar de koning van de wereld zal ons, die voor zijn Wet sterven, opwekken voor een eeuwig leven.”
Na hem werd de derde gemarteld. Op verzoek stak hij onmiddellijk zijn tong uit en onverschrokken bood hij ook zijn handen aan. Fier zei hij: “Van de hemel heb ik ze gekregen, maar omwille van Gods leer doe ik er graag afstand van, in de hoop ze eens van Hem terug te krijgen.” Zelfs de koning en zijn gevolg waren verbaasd over de moed van de jonge man, die ondanks de pijnen niet kreunde. Toen deze gestorven was, pijnigden en folterden ze de vierde op dezelfde wijze. …
Buitengewoon bewonderenswaardig was de moeder en haar nagedachtenis verdient in ere te blijven. Zij zag haar zeven zonen op één dag sterven, maar hield moedig stand, omdat zij op de Heer vertrouwde. Bezield met edele gevoelens moedigde zij ieder van in hun moedertaal aan.
God de terminator
In het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, zaten tegenover mij in mijn huis de leiders van Juda. Plotseling werd ik door de macht van God, de Heer, overweldigd. In een visioen zag ik een gedaante als van vuur. Zijn onderlichaam was vuur; zijn bovenlichaam glansde en schitterde als blinkend metaal. Met iets dat leek op een hand greep hij mij bij de haren.
Gods geest hief me op tot hoog tussen hemel en aarde. In dit visioen van God werd ik naar Jeruzalem gebracht, bij de ingang van de noordelijke poort, waar het afgodsbeeld stond dat een belediging is voor God. net zoals bij mijn visioen in de vallei verscheen de God van Israël aan mij in al zijn majesteit. Hij zei tegen mij: “Mensenkind, kijk naar het noorden.” Toen ik keek, zag ik noordelijk van de poort een altaar en binnen in de poort het afgodsbeeld. “Zie je wat ze doen, mensenkind?” zei God tegen me. “Het volk van Israël maakt zich hier schuldig aan de verschrikkelijkste dingen. Zo dwingen zij mij ver van mijn heiligdom te blijven. Maar je zult nog afschuwelijker dingen zien.”
Hij bracht me naar de toegang tot het tempelplein. Ik zag dat er in de muur een opening was. Hij zei tegen me: “Mensenkind, wring je daardoorheen.” Ik deed het en zag een deur voor me.” Ga naar binnen,” zei hij. “Kijk aan welke verschrikkelijke dingen zij zich hier schuldig maken.” Ik ging naar binnen en keek om me heen. Overal in het rond waren er afbeeldingen op de muren aangebracht van reptielen en allerlei ander onrein gedierte, van alle afgoden van het volk van Israël. Voor deze afbeeldingen stonden de zeventig leiders van Israël. Een van hen was Jaäzanja, de zoon van Safan. Ze hielden allemaal een wierookvat vast. Er hing een sterke wierookgeur. Hij vroeg me: “Heb je gezien, mensenkind, wat de leiders van Israël doen in het duister, in hun kamers vol afbeeldingen? De Heer ziet ons niet, denken ze. Hij heeft het land verlaten.” en hij voegde eraan toe: “Je zult nog meer zien van hun afschuwelijke praktijken.”
Daarna bracht hij me naar het binnenplein van de tempel. Bij de toegang, tussen de hal en het altaar, zag ik ongeveer vijfentwintig mannen staan met hun rug naar de tempel en hun gezicht naar het oosten gericht. Ze knielden neer om de zon te aanbidden. “Heb je dat allemaal gezien, mensenkind?” vroeg hij. “En toch vindt het volk van Juda al dit verschrikkelijks nog niet genoeg. Nee, ze plegen geweld overal in het land, ze doen alles om mij te krenken. Zie ze daar staan met een wijnrank onder hun neus! Maar ik zal mijn woede op hen koelen. Ik zal hen niet ontzien, ik heb geen medelijden met hen. Al roepen ze nog zo hard om hulp, ik luister niet.”
“Eeuwig duurt zijn liefde”
psalm 136
Breng hulde aan de Heer, want hij is goed!
Eeuwig duurt zijn liefde.
Breng hulde aan de hoogste God!
Eeuwig duurt zijn liefde. …
Hij die de eerstgeborenen van Egypte doodde.
Eeuwig duurt zijn liefde. …
De farao en zijn leger liet verdrinken.
Eeuwig duurt zijn liefde. …
Machtige vorsten doodde.
Eeuwig duurt zijn liefde. …
Breng hulde aan de God van de hemel!
Eeuwig duurt zijn liefde.
Breng hulde aan de Heer, want hij is goed!
Eeuwig duurt zijn liefde.
Breng hulde aan de hoogste God!
Eeuwig duurt zijn liefde. …
Hij die de eerstgeborenen van Egypte doodde.
Eeuwig duurt zijn liefde. …
De farao en zijn leger liet verdrinken.
Eeuwig duurt zijn liefde. …
Machtige vorsten doodde.
Eeuwig duurt zijn liefde. …
Breng hulde aan de God van de hemel!
Eeuwig duurt zijn liefde.
Elke man moet heer en meester zijn in eigen huis
Op de zevende dag, toen de koning door de wijn in een vrolijke stemming was geraakt, ontbood hij zijn zeven kamerheren: Mehuman, Bizzeta, Charbona, Bigta, Abagta, Zetar en Karkas. Hij gaf hun opdracht koningin Wasti bij hem te brengen, getooid met haar koninklijke kroon. Zij was een mooie vrouw en hij wilde met haar pronken tegenover de volken en de ministers. Maar toen de kamerheren aan koningin Wasti het bevel van de koning overbrachten, weigerde zij te komen.
Toen werd de koning verschrikkelijk kwaad, hij kookte van woede. Hij wendde zich tot de wijze mannen die wisten wanneer het tijd was om te handelen. Het was immers de gewoonte dat de koning belangrijke zaken voorlegde aan de kenners van wet en recht. Deze persoonlijke raadgevers van de koning waren Karsena, Setar, Admata, Tarsis, Meres, Marsena, en Memukan, de zeven ministers van Perzië en Medië die de hoogste posten in het rijk bekleedden. “Wat zegt de weg?” vroeg koning Ahasveros hun. “Wat moet er gebeuren met koningin Wasti, nu zij geen gevolg heeft gegeven aan het bevel dat ik haar door mijn kamerheren heb laten overbrengen?”
Toen zei Memukan tegen de koning en de andere ministers: “Koningin Wasti heeft niet alleen de koning maar ook alle ministers beledigd, ja , alle volken in alle provincies van het rijk! Want zodra de vrouwen in uw rijk horen hoe de koningin zich heeft gedragen, zullen ook zij hun mannen gaan minachten. Zij zullen zeggen: Koning Ahasveros heeft koningin Wasti bevolen voor hem te verschijnen, maar zij is niet gekomen.” En hij vervolgde: “Vandaag nog zullen ook de aanzienlijke vrouwen van Perzië en Medië horen hoe de koningin zich gedragen heeft, en er met hun echtgenoten, de ministers van de koning, over beginnen. Dat leidt tot minachting en ergernis. Als zijne majesteit het goedvindt, laat hij dan een koninklijk besluit uitvaardigen en het opnemen in de wetten van Meden en Perzen, zodat het niet herroepen kan worden. In dat besluit moet staan dat Wasti zijne majesteit niet meer onder ogen mag komen en dat hij haar de koninklijke waardigheid ontneemt en die geeft aan een vrouw die het meer verdient dan zij. Wanneer deze koninklijke beschikking bekend wordt in alle delen van zijn uitgestrekte rijk, zullen alle vrouwen, zowel uit de hogere als uit de lagere kringen, hun mannen weer met eerbied behandelen.”
Dit voorstel viel bij de koning en de andere ministers in de smaak, en de koning deed wat Memukan hem had gezegd. Hij stuurde brieven naar alle delen van zijn rijk, in het schrift van elke provincie en in de taal van ieder volk. Er stond in dat elke man heer en meester moest zijn in eigen huis en het laatste woord diende te hebben.
Jehu spant zich in voor de zaak van de Heer
Toen Jehu op weg was naar Samaria en zich bij Bet-Eked bevond, een trefpunt van herders, liep hij de verwanten van koning Achazja van Juda tegen het lijf. “Wie bent u?” vroeg Jehu. “We zijn verwanten van koning Achazja,” antwoordden zij. “We gaan een bezoek brengen aan onze neven, in het bijzonder aan de zonen van de vorstin.” “Grijp hen levend!” beval Jehu. Ze werden gegrepen, onthoofd en in de put van Bet-Eked gegooid. Het waren tweeënveertig man; geen van hen overleefde het.
Jehu vervolgde zijn weg en kwam Jonadab, de zoon van Rekab, tegen. Jehu groette hem en zei: “Meent u het met mij even goed als ik met u?” “Jazeker!” antwoordde Jonadab. “Als dat zo is, geef me dan de hand.” Jonadab gaf Jehu de hand en Jehu nodigde hem bij zich in de wagen. “Rij met mij mee,” stelde hij voor, “dan kunt u zien hoe ik mij inspan voor de zaak van de Heer.” Zo hielpen ze hem de wagen bestijgen. In Samaria aangekomen, vermoordde Jehu alle leden van het koningshuis van Achab die nog in Samaria waren overgebleven; ze werden allemaal uitgeroeid, zoals de Heer tegen Elia had gezegd.
Abonneren op:
Posts (Atom)
