Posts tonen met het label absurdisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label absurdisme. Alle posts tonen

Besluit


Tegen een ieder die de profetische woorden van dit boek hoort, zeg ik met nadruk: wie iets aan dit boek toevoegt, hem zal God straffen met de plagen die erin beschreven staan; en wie uit dit profetische boek iets weglaat, hem zal God zijn recht ontnemen op de levensboom en de heilige stad, die in dit boek beschreven zijn.

Hij die van dit alles getuigt, zegt: “Ja, ik kom spoedig!” Ja, kom Heer Jezus! 

De genade van de Heer Jezus zij met u allen.

Het geslachte Lam begint de vernietiging van de wereld


Ik zag dat het Lam de eerste van de zeven zegels verbrak en ik hoorde het eerste van de vier levende wezens zeggen, en het klonk als een donderslag: “Kom!” Er verscheen een wit paard; zijn berijder had een boog. Hij ontving een zegekrans en reed weg, een overwinnaar die overwinnen zal. Toen het Lam het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede wezen roepen: “Kom!” Er verscheen een ander paard, het was rood. Zijn berijder kreeg de macht de vrede van de aarde weg te nemen, zodat de mensen elkaar zouden doden. Er werd hem een groot zwaard gegeven. …

Toen het Lam het vierde zegel verbrak, hoorde ik het vierde wezen roepen: “Kom!” Ik zag een paard verschijnen, dat groen was. Zijn berijder heette de Dood en het dodenrijk kwam achter hem aan. Hij kreeg de macht om een vierde deel van de aarde om te brengen door het zwaard en door hongersnood, pest en wilde dieren.

Toen het Lam het vijfde zegel verbrak, zag ik onder het altaar de zielen van hen die gedood waren omdat ze getuigenis hadden afgelegd van de boodschap van God. Ze riepen luid: “Heilige en waarachtige Heerser! Hoelang zal het nog duren voordat u rechtspreekt over de bewoners van de aarde en ons bloed op hen wreekt?” Aan ieder van hen werd een wit gewaad gegeven, en er werd hun gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat hun aantal aangevuld zou zijn met hun broeders, ook dienaren van God, die gedood zouden worden als zij.

Ik zag het Lam het zesde zegel verbreken. Er volgde een zware aardbeving; de zon werd zwart als een rouwkleed en de maan werd helemaal rood, als bloed. De sterren van de hemel vielen op aarde neer als vijgen die door een stormwind van de boom worden geschud. Het uitspansel verdween als een stuk papier dat wordt opgerold, en alle bergen en eilanden werden van hun plaats gerukt. Koningen der aarde, edelen, legeraanvoerders, rijken en machtigen, en alle andere mensen, slaven en vrije burgers, verborgen zich in de spelonken en tussen de rotsen in de bergen. En ze riepen tot de bergen en de rotsen: “Val op ons neer en verberg ons voor de blik van hem die op de troon is gezeten en voor de toorn van het Lam! Want de grote dag van hun wraak is aangebroken, en wie kan dan staande blijven?”

Hoe het er rondom Gods troon aan toe gaat


Toen kreeg ik een ander visioen. Een deur in de hemel stond open, en de stem die al eerder tot mij had gesproken en die had geklonken als een bazuin, zei: “Kom hierboven, dan zal ik u laten zien wat hierna gebeuren moet.” Meteen kwam de Geest over mij, en zie: er stond een troon in de hemel en er zat iemand op die troon. En degene die op die troon zat, straalde als jaspis en kornalijn. Over zijn troon stond de regenboog, schitterend als smaragd, en in een kring eromheen stonden vierentwintig andere tronen waarop vierentwintig oudsten zaten, gehuld in witte kleren en met gouden kronen op het hoofd. Uit de troon kwamen bliksemflitsen, gerommel en donderslagen; vóór de troon brandden zeven vurige fakkels, de zeven geesten van God. En voor de troon strekte zich iets uit dat leek op een zee van glas, van kristal.

Midden voor de troon en er rond omheen waren vier levende wezens, van voren en van achteren vol ogen. Het eerste wezen leek op een leeuw, het tweede op een jonge stier, het derde zag eruit als een mens en het vierde leek op een vliegende arend. Ze hadden elk zes vleugels en waren overdekt met ogen, zowel van binnen als van buiten. Zonder ophouden, dag en nacht, zeiden ze: “Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.” …

En ik zag in de rechterhand van hem die op de troon was gezeten, een boekrol, van binnen en van buiten beschreven, en verzegeld met zeven zegels. Ook zag ik een machtige engel. Hij riep luid: “Wie komt de eer toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?” Maar niemand in de hemel, op aarde of onder de aarde was in staat de boekrol te openen en te lezen. Ik brak in tranen uit, omdat niemand de eer bleek toe te komen de boekrol te openen of te lezen. Maar een van de oudsten zei tegen me: “Huil niet! De leeuw uit de stam Juda, de telg van David, heeft overwonnen: hij kan de zeven zegels verbreken en de boekrol openen.”

Toen zag ik midden voor de troon en omgeven door de vier wezens en de oudsten een lam staan. Het Lam leek geslacht. Het had zeven hoorns en zeven ogen:  dat zijn de zeven geesten van God die over de hele wereld zijn uitgestuurd. Het Lam kwam naar voren en nam de boekrol aan uit de rechterhand van hem die op de troon was gezeten. Toen het de boekrol nam, vielen de vier wezens en de vierentwintig oudsten voor het Lam neer. De oudsten hadden ieder een harp en een gouden schaal vol reukwerk, dat zijn de gebeden van hen die God toebehoren. En ze zongen een nieuw lied:

“U komt de eer toe de boekrol te nemen en haar zegels te verbreken. Want u bent geslacht en met uw bloed hebt u voor God mensen gekocht uit elke stam en taal, uit elk volk en ras. U hebt hen tot koningen gemaakt, tot priesters voor onze God en zij zullen heersen op aarde.”

Toen hoorde en zag ik vele engelen rondom de troon, met de vier wezens en de oudsten. Zij waren met duizenden en duizenden, ja met miljoenen. En zij riepen luid: “Het Lam dat geslacht werd, komt de eer toe om de macht te ontvangen, de rijkdom, de wijsheid en de kracht, de eer, de glorie, de lof.”

En ik hoorde elk schepsel in de hemel en op de aarde, onder de aarde en in de zee, ja alle wezens in het heelal zingen: “Aan hem die op de troon is gezeten, en aan het Lam komen toe: lof en eer, glorie en kracht voor altijd, voor eeuwig!” En de vier levende wezens antwoordden: “Amen!” en de oudsten vielen in aanbidding neer.

Jezus wordt verraden


Ook vroeg Jezus zijn leerlingen: “Toen ik jullie eropuit stuurde zonder geldbeurs, zonder tas en zonder schoenen, kwamen jullie toen iets tekort?” “Niets,” antwoordden ze. “Maar nu,” zei hij, “moet wie een beurs heeft of een tas, die meenemen; en wie geen zwaard heeft, moet zijn jas verkopen om er een aan te schaffen. Want ik zeg jullie: de woorden uit de Schrift: Hij werd tot de misdadigers gerekend, moeten in mij hun vervulling krijgen. Wat over mij is beschikt, nadert zijn einde.” “Heer, kijk, hier zijn twee zwaarden!” zeiden ze. “Genoeg hierover,” antwoordde hij. …

Hij was nog niet uitgesproken toen er een groep mannen aankwam; Judas, een van de twaalf, liep voor hen uit. Hij kwam op Jezus toe om hem te kussen. En Jezus zei tegen hem: “Judas, lever je de Mensenzoon uit met een kus?” Toen zij die bij Jezus waren, begrepen wat er ging gebeuren, zeiden ze: “Heer, zullen we er met het zwaard op in slaan?” En een van hen trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af. “Houd daarmee op!” zei Jezus.

Jezus drijft geesten in een kudde varkens


Toen hij aan land was gegaan, kwam uit de stad een man op hem af. Het was iemand die bezeten was. Hij liep altijd zonder kleren rond en een huis had hij niet; hij woonde in de grafspelonken. Toen hij Jezus zag, gaf hij een schreeuw, viel voor hem neer, en riep: “Jezus, Zoon van de allerhoogste God, wat wilt u van me? Ik smeek u: pijnig me niet!”

Jezus had namelijk de onreine geest bevel gegeven uit de man weg te gaan. Al dikwijls had die geest hem meegesleurd en dan hadden de mensen hem aan handen en voeten gebonden om hem in bedwang te houden. Maar elke keer verbrak hij zijn boeien en werd hij door die demon de woestijn ingedreven. Jezus vroeg hem: “Wat is uw naam?” “Legio,” antwoordde hij. Want veel demonen waren bij de man ingetrokken.

En de demonen smeekten hem, dat hij hun niet zou opdragen zich in de afgrond te storten. Nu werd daar op de helling van een heuvel een grote kudde varkens gehoed. De demonen vroegen hem toestemming om bij die varkens hun intrek te nemen; hij stond hun dat toe. En ze gingen weg uit de man en trokken in bij de varkens, en de kudde stormde de helling af, het meer in en verdronk.

Toen de varkenshoeders zagen wat er gebeurde, vluchtten ze weg en vertelden het overal in de stad en op het land. De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. Bij Jezus gekomen, vonden ze de man aan zijn voeten zitten, nu bevrijd van de demonen, gekleed en bij zijn volle verstand. Ze schrokken ervan.

Jezus vervloekt een vijgenboom


Toen ze de volgende morgen weer uit Betanië waren weggegaan, kreeg Jezus honger. In de verte zag hij een vijgenboom in blad staan en hij ging kijken of er wat vijgen aan zaten. Maar toen hij bij de boom kwam, zag hij niets dan bladeren, want voor vijgen was het de tijd nog niet. Toen zei hij tegen de boom: “Nooit zal iemand van jou meer een vrucht eten, nooit meer!” Zijn leerlingen hoorden dat.
...
De volgende morgen, toen ze weer langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat hij verdord was tot op de wortel. Petrus moest denken aan wat Jezus tegen de boom gezegd had. “Rabbi,” zei hij, “kijk, de vijgenboom die u vervloekt hebt, is helemaal verdord.” Toen zei Jezus tegen hen: “Heb geloof in God. Ik verzeker jullie:  wie tegen deze berg zou zeggen:  kom omhoog en stort je in zee, en in zijn hart niet zou twijfelen maar geloven dat wat hij zegt, gebeurt – het zal gebeuren. Daarom zeg ik jullie: bij alles waar je in je gebed om vraagt, geloof dat je het al gekregen hebt en je zult het krijgen. ...”

“Wie niet tegen ons is, is vóór ons.”


Thuis vroeg hij hun: “Waar hadden jullie het onderweg toch over?” Ze zwegen, want onderweg hadden ze erover geruzied wie van hen de belangrijkste was. Jezus ging zitten, riep de twaalf bij zich en zei: “Wie de eerste wil zijn, moet alle anderen laten voorgaan en ieder ander dienen.” En hij trok een kind naar zich toe, zette het in hun midden en sloeg er zijn arm omheen. “Wie in mijn naam zo'n kind opneemt, neemt mij op,” zei hij, “en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.”

“Meester,” zei Johannes tegen hem, “we zagen iemand die demonen uitdreef onder het aanroepen van uw naam. We hebben geprobeerd het hem te verhinderen, omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten.” “Leg hem niets in de weg,” antwoordde Jezus, “want iemand die onder het aanroepen van mijn naam een wonder doet, kan mij niet kort daarna vervloeken. Wie niet tegen ons is, is vóór ons.

Ik verzeker jullie: als iemand jullie een beker water geeft omdat je bij Christus hoort, hij zal er zeker voor beloond worden. Wie één van deze eenvoudige mensen die geloven, van de goede weg afbrengt, het zou beter voor hem geweest zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee gegooid was. Als je hand er de oorzaak van is dat je van de rechte weg afdwaalt, hak hem dan af. Je kunt beter verminkt het eeuwige leven binnengaan dan met beide handen in de hel terechtkomen, in het vuur dat nooit uitgaat. Als je voet er de oorzaak van is dat je van de rechte weg afdwaalt, hak hem dan af. Je kunt beter kreupel het eeuwige leven binnengaan dan met beide voeten in de hel geworpen worden. En als je oog er de oorzaak van is dat je van de rechte weg afdwaalt, ruk het dan uit. Je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan, dan met beide ogen in de hel geworpen worden, waar de wormen blijven knagen en het vuur niet wordt gedoofd.

Iedereen moet door het vuur van de beproeving gaan en zo gezouten worden. ...”

Jezus wast witter dan wit


Zes dagen later ging Jezus met Petrus, Jakobus en Johannes een hoge berg op. Met hen alleen. En daar veranderde hij voor hun ogen van gedaante en zijn kleren werden stralend wit, zo wit als niemand op aarde ze wassen kan.

Jezus de opticien


Ze kwamen in Betsaïda. Daar bracht men een blinde bij Jezus en men vroeg hem of hij hem wilde aanraken. Hij nam de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Toen raakte hij met speeksel de ogen van de man aan en hij legde hem de handen op.

“Ziet u al iets?” vroeg hij. De man keek rond en antwoordde: “Ik zie bomen – nee, het moeten mensen zijn, want ze lopen.” Jezus legde nog eens de handen op zijn ogen. Nu zag hij scherp, zijn ogen waren weer goed en hij kon alles duidelijk zien.

“Wat is hier aan de hand?”


Op dat ogenblik was er in hun synagoge een man die in de macht was van een onreine geest. En hij schreeuwde: “Wat wilt u van ons, Jezus van Nazaret? Bent u soms gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie u bent: u bent de heilige van God!” Jezus zei streng: “Zwijg en ga uit de man weg.” De onreine geest deed de man stuiptrekken en ging met een luide schreeuw uit hem weg. Alle mensen stonden versteld en zeiden onder elkaar: “Wat is hier aan de hand? ...”

De hemel is als vijf domme en vijf slimme meisjes


“Het hemelse koninkrijk lijkt op tien meisjes die hun olielampen pakten en de bruidegom tegemoet gingen. Vijf van hen waren dom, vijf van hen waren verstandig. Toen de vijf domme meisjes hun olielampen pakten, vergaten ze extra olie mee te nemen, maar de vijf verstandige meisjes namen behalve hun lampen ook flesjes olie mee. Toen de bruidegom maar niet kwam, werden ze allemaal slaperig en ze sliepen in.

Midden in de nacht werd er geroepen: Daar komt de bruidegom! Naar buiten, hem tegemoet! Alle meisjes stonden op en maakten hun lampen in orde. De domme meisjes zeiden tegen de verstandige: Geef ons wat van jullie olie, want onze lampen gaan uit.  Maar die antwoordden:  Misschien is er niet genoeg voor ons allemaal. Ga maar naar de kooplui om olie te kopen.

Toen zij weg waren om olie te kopen, kwam de bruidegom. De meisjes die klaarstonden, gingen met hem mee naar binnen om bruiloft te vieren, en de deur werd gesloten. Later kwamen de andere meisjes terug. Heer, heer, laat ons binnen, riepen ze. Maar hij zei: Ik ken jullie niet.”

En Jezus besloot: “Wees dus waakzaam, want je weet dag noch uur.”

Weinig liberalen in de hemel


Jezus keek hem aan en had hem lief. Hij zei tegen hem: “Eén ding hebt u nog niet gedaan: ga naar huis en verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug en volg mij.” Maar toen hij dat hoorde, betrok zijn gezicht. Terneergeslagen ging hij weg, want hij bezat veel.

En Jezus, de kring van zijn leerlingen rondkijkend, zei: “Wat is het voor rijke mensen toch moeilijk het koninkrijk van God binnen te komen!” Zijn leerlingen waren verbijsterd over die uitspraak, maar Jezus herhaalde: “Kinderen, wat is het moeilijk het koninkrijk van God binnen te komen!  Het is voor een kameel gemakkelijker door het oog van een naald te kruipen dan voor een rijke het koninkrijk van God binnen te komen.”

Jezus begraaft geen doden, en maakt een boottochtje


Een ander, een van zijn leerlingen, vroeg hem: “Heer sta mij toe eerst mijn vader te begraven.” Maar Jezus zei tegen hem: “Volg mij en laat de doden hun doden begraven.”

Daarna stapte Jezus in de boot en zijn leerlingen volgden hem. Opeens begon het zo hevig te stormen op het meer, dat de golven over de boot sloegen. Jezus lag te slapen. Zijn leerlingen gingen naar hem toe en maakten hem wakker. “Heer, red ons,” riepen ze, “we vergaan!” Maar hij zei: “Waarom zijn jullie zo bang? Wat is jullie geloof klein!” Hij stond op en sprak de wind en het meer streng toe, en het werd volkomen stil. De mensen waren verbaasd en vroegen zich af: “Wat is dat voor iemand? Zelfs de wind en het meer gehoorzamen hem!”

Jezus op dieet

matteüs 4:1-2 (legolink)

De Geest leidde Jezus naar de woestijn, waar de duivel hem op de proef zou stellen.
Veertig dagen en veertig nachten vastte hij; toen kreeg hij honger.

Een goed gesprek met een ezel


Maar Barak stuurde nu nog meer leiders, van groter aanzien dan de eerste. Toen zij bij Bileam kwamen, zeiden ze: “Dit zegt Barak, de zoon van Sippor: Kom alstublieft naar mij toe. Ik zal u vorstelijk belonen en alles doen wat u zegt. Kom en vervloek dat volk.” Bileam antwoordde de gezanten van Balak: “Ik kan in geen geval ingaan tegen het bevel van de Heer, mijn God, al geeft Balak mij al zijn goud en zilver. Maar blijf overnachten zoals de anderen deden; morgen weet ik of de Heer nog iets te zeggen heeft.” God kwam 's nachts bij Bileam en zei: “Ga nu maar met deze mannen mee, maar doe alleen wat ik je beveel.”

De volgende morgen zadelde Bileam zijn ezelin. Vergezeld van zijn beide dienaren ging hij met de gezanten van Moab op weg. Toen werd God woedend en de engel van de Heer gin op de weg staan om Bileam tegen te houden. Toen de ezelin de engel met getrokken zwaard zag staan, ging ze van de weg af het veld in. Bileam sloeg de ezelin en dreef haar terug de weg op. Daarna ging de engel in een holle weg staan die door wijngaarden liep en aan weerszijden door muren was omgeven. Toen de ezelin de engel zag, drukte ze zich tegen de muur. De voet van Bileam raakte in de knel. Bileam sloeg haar opnieuw. Nogmaals ging de engel een stukje verderop. Hij ging op een plaats staan waar geen uitwijken meer mogelijk was. Toen de ezelin de engel weer zag, ging ze op de grond liggen. Bileam werd woedend en begon de ezelin met zijn stok te slaan.

Toen liet de Heer de ezelin spreken. Ze zei tegen Bileam: “Je hebt me al drie keer geslagen. Wat heb ik je gedaan?” Bileam antwoordde: “Je maakt me belachelijk. Als ik een zwaard had, zou ik je doden.” Toen zei de ezelin: “Ben ik niet je eigen ezelin? Heb ik je niet je hele leven gedragen tot op de dag van vandaag? Heb ik je ooit eerder zo behandeld?” “Nee,” antwoordde Bileam. Toen liet de Heer ook aan Bileam de engel op de weg zien met zijn getrokken zwaard, en Bileam boog zich diep, tot op de grond.

De engel zei:  “Waarom heb je je ezelin tot drie keer toe geslagen? Ik ben je tegenstander, ik ben je tegemoet gegaan, omdat je reis tegen mijn wil ingaat. De ezelin zag mij en ging drie keer voor mij opzij. Had ze dat niet gedaan, dan had ik jou gedood maar haar in leven gelaten.” Bileam zei tegen de engel: “Het was verkeerd van me. Ik wist niet dat u het was die mij stond op te wachten. Als mijn reis in strijd is met uw wil, ga ik naar huis.” De engel antwoordde: “Ga met die mannen mee, maar zeg alleen wat ik beveel.” Toen ging Bileam verder met de gezanten van Balak.

God de terminator



In het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, zaten tegenover mij in mijn huis de leiders van Juda. Plotseling werd ik door de macht van God, de Heer, overweldigd. In een visioen zag ik een gedaante als van vuur. Zijn onderlichaam was vuur; zijn bovenlichaam glansde en schitterde als blinkend metaal. Met iets dat leek op een hand greep hij mij bij de haren.

Gods geest hief me op tot hoog tussen hemel en aarde. In dit visioen van God werd ik naar Jeruzalem gebracht, bij de ingang van de noordelijke poort, waar het afgodsbeeld stond dat een belediging is voor God. net zoals bij mijn visioen in de vallei verscheen de God van Israël aan mij in al zijn majesteit. Hij zei tegen mij: “Mensenkind, kijk naar het noorden.” Toen ik keek, zag ik noordelijk van de poort een altaar en binnen in de poort het afgodsbeeld. “Zie je wat ze doen, mensenkind?” zei God tegen me. “Het volk van Israël maakt zich hier schuldig aan de verschrikkelijkste dingen. Zo dwingen zij mij ver van mijn heiligdom te blijven. Maar je zult nog afschuwelijker dingen zien.”

Hij bracht me naar de toegang tot het tempelplein. Ik zag dat er in de muur een opening was. Hij zei tegen me: “Mensenkind, wring je daardoorheen.” Ik deed het en zag een deur voor me.” Ga naar binnen,” zei hij. “Kijk aan welke verschrikkelijke dingen zij zich hier schuldig maken.” Ik ging naar binnen en keek om me heen. Overal in het rond waren er afbeeldingen op de muren aangebracht van reptielen en allerlei ander onrein gedierte, van alle afgoden van het volk van Israël. Voor deze afbeeldingen stonden de zeventig leiders van Israël. Een van hen was Jaäzanja, de zoon van Safan. Ze hielden allemaal een wierookvat vast. Er hing een sterke wierookgeur. Hij vroeg me: “Heb je gezien, mensenkind, wat de leiders van Israël doen in het duister, in hun kamers vol afbeeldingen? De Heer ziet ons niet, denken ze. Hij heeft het land verlaten.” en hij voegde eraan toe: “Je zult nog meer zien van hun afschuwelijke praktijken.”

Daarna bracht hij me naar het binnenplein van de tempel. Bij de toegang, tussen de hal en het altaar, zag ik ongeveer vijfentwintig mannen staan met hun rug naar de tempel en hun gezicht naar het oosten gericht. Ze knielden neer om de zon te aanbidden. “Heb je dat allemaal gezien, mensenkind?” vroeg hij. “En toch vindt het volk van Juda al dit verschrikkelijks nog niet genoeg. Nee, ze plegen geweld overal in het land, ze doen alles om mij te krenken. Zie ze daar staan met een wijnrank onder hun neus! Maar ik zal mijn woede op hen koelen. Ik zal hen niet ontzien, ik heb geen medelijden met hen. Al roepen ze nog zo hard om hulp, ik luister niet.”

David vraagt een drankje, en weigert het vervolgens


Dan was er nog een drietal. Zij maakten deel uit van de dertig helden die vanuit het rotsgebergte naar David waren gegaan, naar de grot Adullam, hoewel de Filistijnen hun kamp hadden opgeslagen in het Refaïmdal. Op een keer, toen David in de bergvesting was, had hij verzucht: “Ik zou willen dat iemand me wat water gaf uit de put bij de poort van Betlehem.” Daar in Betlehem lag toen een Filistijns garnizoen. Hierna hadden deze drie zich een weg gebaand door het legerkamp van de Filistijnen en water geschept uit de put bij de poort van Betlehem.

Maar toen zij met het water bij David kwamen, wilde hij er niet van drinken. Hij goot het op de grond uit voor de Heer en zei: “Mijn God verbiedt mij hiervan te drinken! Het zou zijn alsof ik het bloed van deze mannen dronk, zij zijn dit water met gevaar voor eigen leven gaan halen.” Daarom weigerde hij ervan te drinken. Zulke dappere daden verrichtten deze drie helden.

“We kookten dus mijn zoon en aten hem op”


Op een dag, toen de koning de stadsmuur inspecteerde, riep een vrouw hem toe: “Help me alstublieft, majesteit!” “Als de Heer u niet helpt, hoe kan ik u dan helpen?” antwoordde hij. “Met graan soms, of met wijn? Maar vertel mij wat er aan de hand is.” En zij zei: “Deze vrouw hier stelde voor mijn zoon op te eten en de volgende dag haar zoon. We kookten dus mijn zoon en aten hem op. Maar toen ik de volgende dag vroeg nu haar zoon op te eten, bleek dat ze hem had verstopt.”

Toen de koning dat hoorde, scheurde hij van ontzetting zijn kleren. Zo ontdekte het volk tijdens die inspectietocht van de koning dat hij op zijn blote lijf een boetekleed droeg. Bij die gelegenheid zwoer de koning: “God mag mij zwaar straffen, als Elisa, de zoon van Safat, niet vandaag nog wordt onthoofd!”

De Heer komt langs met overdreven veel bombarie


“Kom naar buiten,” beval de Heer, “en ga voor een ontmoeting met mij op de berg staan.” Toen kwam de Heer voorbij. Voor hem uit raasde een storm die de bergen deed splijten en de rotsen verbrijzelde, maar de Heer bevond zich niet in de storm. Na de storm volgde een aardbeving en ook in de aardbeving bevond de Heer zich niet. En op de aardbeving volgde vuur en ook in het vuur bevond de Heer zich niet.

Op het vuur volgde een ademloze stilte. Zodra Elia dat hoorde, bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel en ging naar buiten. Bij de ingang van de grot bleef hij staan. “Wat kom je hier doen, Elia?” klonk een stem.

Mijn lief is als een appelboom

hooglied 2:2-3

Hij: Als een lelie tussen distels,
zo is mijn vriendin tussen de meisjes.

Zij: Een boom vol appels midden in het struikgewas,
zo is mijn lief te midden van de mannen.
Hoe graag wil ik in zijn schaduw zitten,
zijn vruchten zijn zo zoet in mijn mond!