Posts tonen met het label score1. Alle posts tonen
Posts tonen met het label score1. Alle posts tonen

“Overal wordt het recht verkracht”


Er is veel bloed vergoten in het land, overal in de stad wordt het recht verkracht. De Heer ziet het niet, denken ze. Hij heeft het land verlaten. Daarom ontzie ik niemand, ik heb geen medelijden. Zij zullen de gevolgen van hun daden ondervinden.”

Smakelijk


Toen zeiden Eljakim, de zoon van Chilkia, en Sebna en Joach tegen de opperbevelhebber: “Wij verzoeken u, Aramees te spreken. Wij verstaan het. Maar spreek geen Judees met ons, want dan kan de bevolking op de stadsmuur meeluisteren.”

Maar de opperbevelhebber antwoordde: “U denkt toch niet dat de koning van Assur mij heeft gestuurd om het woord alleen tot u en uw koning te richten? Mijn woorden zijn ook bestemd voor de mensen op de stadsmuur. Binnenkort zullen zij net als u hun eigen uitwerpselen moeten eten en hun eigen urine drinken.”

De aarde wordt geoogst


Toen zag ik een witte wolk. Op de wolk zat iemand die er uitzag als een mens. Op zijn hoofd droeg hij een gouden kroon en in zijn hand had hij een scherpe sikkel. Uit de tempel kwam een engel. Tegen degene die op de wolk zat, riep hij luid: “Zwaai uw sikkel en haal de oogst binnen: het is tijd om te maaien, de aarde is rijp voor de oogst!” En hij die op de wolk zat, liet zijn sikkel over de aarde gaan en de aarde werd geoogst.

Uit de tempel in de hemel kwam een andere engel. Ook hij had een scherpe sikkel. Een derde engel, die zeggenschap had over het vuur, kwam het altaar af. Tegen de engel met de sikkel riep hij luid: “Zwaai uw scherpe sikkel en snij de druiventrossen van de wijnstokken op aarde, want ze zijn rijp.” En de engel sloeg zijn sikkel over de aarde, sneed de druiventrossen van de wijnstokken af en gooide ze in de grote wijnpers van Gods toorn. De druiven werden buiten de stad geperst en uit de wijnpers vloeide een stroom bloed die de paarden tot het bit reikte en die driehonderd kilometer lang was.

Het geslachte Lam begint de vernietiging van de wereld


Ik zag dat het Lam de eerste van de zeven zegels verbrak en ik hoorde het eerste van de vier levende wezens zeggen, en het klonk als een donderslag: “Kom!” Er verscheen een wit paard; zijn berijder had een boog. Hij ontving een zegekrans en reed weg, een overwinnaar die overwinnen zal. Toen het Lam het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede wezen roepen: “Kom!” Er verscheen een ander paard, het was rood. Zijn berijder kreeg de macht de vrede van de aarde weg te nemen, zodat de mensen elkaar zouden doden. Er werd hem een groot zwaard gegeven. …

Toen het Lam het vierde zegel verbrak, hoorde ik het vierde wezen roepen: “Kom!” Ik zag een paard verschijnen, dat groen was. Zijn berijder heette de Dood en het dodenrijk kwam achter hem aan. Hij kreeg de macht om een vierde deel van de aarde om te brengen door het zwaard en door hongersnood, pest en wilde dieren.

Toen het Lam het vijfde zegel verbrak, zag ik onder het altaar de zielen van hen die gedood waren omdat ze getuigenis hadden afgelegd van de boodschap van God. Ze riepen luid: “Heilige en waarachtige Heerser! Hoelang zal het nog duren voordat u rechtspreekt over de bewoners van de aarde en ons bloed op hen wreekt?” Aan ieder van hen werd een wit gewaad gegeven, en er werd hun gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat hun aantal aangevuld zou zijn met hun broeders, ook dienaren van God, die gedood zouden worden als zij.

Ik zag het Lam het zesde zegel verbreken. Er volgde een zware aardbeving; de zon werd zwart als een rouwkleed en de maan werd helemaal rood, als bloed. De sterren van de hemel vielen op aarde neer als vijgen die door een stormwind van de boom worden geschud. Het uitspansel verdween als een stuk papier dat wordt opgerold, en alle bergen en eilanden werden van hun plaats gerukt. Koningen der aarde, edelen, legeraanvoerders, rijken en machtigen, en alle andere mensen, slaven en vrije burgers, verborgen zich in de spelonken en tussen de rotsen in de bergen. En ze riepen tot de bergen en de rotsen: “Val op ons neer en verberg ons voor de blik van hem die op de troon is gezeten en voor de toorn van het Lam! Want de grote dag van hun wraak is aangebroken, en wie kan dan staande blijven?”

Prijs de Heer, of sterf


Op een daarvoor vastgestelde dag nam Herodes in koninklijk gewaad plaats op zijn troon en sprak hen toe. En het samengestroomde volk juichte hem toe: “De stem van een god, niet van een mens!” En onmiddellijk, omdat hij God de eer niet gaf, sloeg een engel van de Heer hem neer en stierf hij; hij was door wormen aangevreten.

Ongelovige Tomas


Een van de twaalf, Tomas – dat betekent Tweeling –, was er niet bij toen Jezus bij hen kwam. “We hebben de Heer gezien,” zeiden de andere leerlingen tegen hem. Maar hij antwoordde: “Alleen als ik in zijn handen de littekens van de spijkers zie en mijn vinger erin kan steken en als ik mijn hand in zijn zij kan steken, zal ik het geloven.”

Een week later waren zijn leerlingen weer bijeen en nu was Tomas bij hen. Toen kwam Jezus bij hen, hoewel de deur op slot was. Hij stond in hun midden en zei: “Vrede.” Toen richtte hij zich tot Tomas: “Leg je vinger hier,” zei hij, “en kijk naar mijn handen; kom met je hand en steek die in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof!” Tomas zei: “Mijn Heer en mijn God!”

Jezus wordt verraden


Ook vroeg Jezus zijn leerlingen: “Toen ik jullie eropuit stuurde zonder geldbeurs, zonder tas en zonder schoenen, kwamen jullie toen iets tekort?” “Niets,” antwoordden ze. “Maar nu,” zei hij, “moet wie een beurs heeft of een tas, die meenemen; en wie geen zwaard heeft, moet zijn jas verkopen om er een aan te schaffen. Want ik zeg jullie: de woorden uit de Schrift: Hij werd tot de misdadigers gerekend, moeten in mij hun vervulling krijgen. Wat over mij is beschikt, nadert zijn einde.” “Heer, kijk, hier zijn twee zwaarden!” zeiden ze. “Genoeg hierover,” antwoordde hij. …

Hij was nog niet uitgesproken toen er een groep mannen aankwam; Judas, een van de twaalf, liep voor hen uit. Hij kwam op Jezus toe om hem te kussen. En Jezus zei tegen hem: “Judas, lever je de Mensenzoon uit met een kus?” Toen zij die bij Jezus waren, begrepen wat er ging gebeuren, zeiden ze: “Heer, zullen we er met het zwaard op in slaan?” En een van hen trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af. “Houd daarmee op!” zei Jezus.

Jezus wil de aarde in vlammen zien


De Heer antwoordde: “... Vuur ben ik komen werpen op de aarde, hoe graag zou ik willen dat het al brandde! … Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Nee, zeg ik je, geen vrede, maar verdeeldheid.

Van nu af aan zullen in één huis vijf mensen verdeeld zijn. Het zal zijn: drie tegen twee en twee tegen drie, vader tegen zoon, en zoon tegen vader, moeder tegen dochter en dochter tegen moeder, schoonmoeder tegen schoondochter en schoondochter tegen schoonmoeder.”

Jezus vervloekt een vijgenboom


Toen ze de volgende morgen weer uit Betanië waren weggegaan, kreeg Jezus honger. In de verte zag hij een vijgenboom in blad staan en hij ging kijken of er wat vijgen aan zaten. Maar toen hij bij de boom kwam, zag hij niets dan bladeren, want voor vijgen was het de tijd nog niet. Toen zei hij tegen de boom: “Nooit zal iemand van jou meer een vrucht eten, nooit meer!” Zijn leerlingen hoorden dat.
...
De volgende morgen, toen ze weer langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat hij verdord was tot op de wortel. Petrus moest denken aan wat Jezus tegen de boom gezegd had. “Rabbi,” zei hij, “kijk, de vijgenboom die u vervloekt hebt, is helemaal verdord.” Toen zei Jezus tegen hen: “Heb geloof in God. Ik verzeker jullie:  wie tegen deze berg zou zeggen:  kom omhoog en stort je in zee, en in zijn hart niet zou twijfelen maar geloven dat wat hij zegt, gebeurt – het zal gebeuren. Daarom zeg ik jullie: bij alles waar je in je gebed om vraagt, geloof dat je het al gekregen hebt en je zult het krijgen. ...”

Jezus wast witter dan wit


Zes dagen later ging Jezus met Petrus, Jakobus en Johannes een hoge berg op. Met hen alleen. En daar veranderde hij voor hun ogen van gedaante en zijn kleren werden stralend wit, zo wit als niemand op aarde ze wassen kan.

Jezus de opticien


Ze kwamen in Betsaïda. Daar bracht men een blinde bij Jezus en men vroeg hem of hij hem wilde aanraken. Hij nam de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Toen raakte hij met speeksel de ogen van de man aan en hij legde hem de handen op.

“Ziet u al iets?” vroeg hij. De man keek rond en antwoordde: “Ik zie bomen – nee, het moeten mensen zijn, want ze lopen.” Jezus legde nog eens de handen op zijn ogen. Nu zag hij scherp, zijn ogen waren weer goed en hij kon alles duidelijk zien.

Jezus sterft


Van twaalf uur tot drie uur 's middags werd het over het hele land donker. Omstreeks drie uur riep Jezus luid: “Eli, Eli, lema sabachtani?” Dat betekent: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” Een paar omstanders die het hoorden, zeiden: “Hij roept om Elia.” Meteen ging een van hen een spons halen, hij doopte die in water, stak hem op de punt van een stok en wilde Jezus ervan laten drinken. “Wacht,” zeiden de anderen, “nu kunnen we zien of Elia hem komt redden.” Opnieuw riep Jezus luid en hij stierf.

Op dat moment scheurde het gordijn in de tempel in tweeën, van boven tot onderen. Er volgde een aardbeving en de rotsen spleten. Graven gingen open en de lichamen van veel heilige mensen die waren gestorven, werden uit de dood opgewerkt. Zij verlieten hun graven en gingen na Jezus' opstanding naar de heilige stad waar ze aan velen verschenen.

De hemel is als vijf domme en vijf slimme meisjes


“Het hemelse koninkrijk lijkt op tien meisjes die hun olielampen pakten en de bruidegom tegemoet gingen. Vijf van hen waren dom, vijf van hen waren verstandig. Toen de vijf domme meisjes hun olielampen pakten, vergaten ze extra olie mee te nemen, maar de vijf verstandige meisjes namen behalve hun lampen ook flesjes olie mee. Toen de bruidegom maar niet kwam, werden ze allemaal slaperig en ze sliepen in.

Midden in de nacht werd er geroepen: Daar komt de bruidegom! Naar buiten, hem tegemoet! Alle meisjes stonden op en maakten hun lampen in orde. De domme meisjes zeiden tegen de verstandige: Geef ons wat van jullie olie, want onze lampen gaan uit.  Maar die antwoordden:  Misschien is er niet genoeg voor ons allemaal. Ga maar naar de kooplui om olie te kopen.

Toen zij weg waren om olie te kopen, kwam de bruidegom. De meisjes die klaarstonden, gingen met hem mee naar binnen om bruiloft te vieren, en de deur werd gesloten. Later kwamen de andere meisjes terug. Heer, heer, laat ons binnen, riepen ze. Maar hij zei: Ik ken jullie niet.”

En Jezus besloot: “Wees dus waakzaam, want je weet dag noch uur.”

Jezus vertelt een leerzame parabel over feestjes


Opnieuw richtte Jezus zich tot hen met gelijkenissen. Hij zei: “Het hemelse koninkrijk is te vergelijken met een koning die het bruiloftsfeest van zijn zoon voorbereidde. Hij stuurde zijn dienaars om de gasten voor het feest uit te nodigen, maar zij wilden niet komen.  Weer stuurde hij dienaars eropuit met de opdracht: Ga naar de genodigden en zeg:  Ik heb de maaltijd klaargemaakt, de stieren en de mestkalveren zijn geslacht, alles staat klaar. Kom naar het bruiloftsfeest!

Maar zij trokken zich er niets van aan; iedereen ging weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel; weer anderen grepen de dienaars vast, mishandelden hen en doodden hen.  De koning werd woedend. Hij stuurde zijn troepen op hen af, liet die moordenaars om het leven brengen en hun stad in brand steken.

Tegen zijn dienaars zei hij: Voor het bruiloftsfeest stond alles klaar, maar de genodigden waren het niet waard.  Ga dus naar de kruispunten van de wegen en nodig iedereen die je tegenkomt uit voor de bruiloft.  En zij gingen eropuit en zij brachten alle mensen mee die ze tegenkwamen, slechte en goede. Zo liep de bruiloftszaal vol met gasten.  Toen de koning binnenkwam om zijn gasten te zien, merkte hij iemand op die geen feestkleding droeg. Vriend, hoe ben je hier binnengekomen zonder je voor de bruiloft gekleed te hebben?  vroeg de koning hem.  Maar de man zweeg.  Toen zei de koning tegen zijn dienaars:  Bind hem aan handen en voeten en gooi hem eruit, de duisternis in.  Daar zal hij huilen en knarsetanden.”

En Jezus besloot: “Want velen zijn uitgenodigd, maar weinigen zijn uitverkoren.”

Weinig liberalen in de hemel


Jezus keek hem aan en had hem lief. Hij zei tegen hem: “Eén ding hebt u nog niet gedaan: ga naar huis en verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug en volg mij.” Maar toen hij dat hoorde, betrok zijn gezicht. Terneergeslagen ging hij weg, want hij bezat veel.

En Jezus, de kring van zijn leerlingen rondkijkend, zei: “Wat is het voor rijke mensen toch moeilijk het koninkrijk van God binnen te komen!” Zijn leerlingen waren verbijsterd over die uitspraak, maar Jezus herhaalde: “Kinderen, wat is het moeilijk het koninkrijk van God binnen te komen!  Het is voor een kameel gemakkelijker door het oog van een naald te kruipen dan voor een rijke het koninkrijk van God binnen te komen.”

Jezus houdt van hiërarchie


Toen Jezus Kafarnaüm binnenging, kwam een Romeins officier naar hem toe die zijn hulp inriep: “Heer, mijn bediende ligt thuis ziek op bed. Hij is verlamd en lijdt vreselijke pijn.” Jezus antwoordde hem: “Ik ga mee en ik zal hem genezen.” Maar de officier zei: “Heer, wie ben ik dat u bij me thuis wilt komen? U hoeft maar een enkel woord te zeggen en mijn bediende wordt beter. Want ik sta wel onder bevel van anderen, maar ik heb ook zelf soldaten onder mij. Zo zeg ik tegen de een: Ga en hij gaat, en tegen een ander: Kom, en hij komt, en tegen mijn knecht: Doe dit, en hij doet het.”

Jezus was verbaasd over wat hij hoorde en zei tegen de mensen die hem volgden: “Ik verzeker u: in Israël ben ik iemand met zo'n groot geloof nog niet tegengekomen. Ja, uit het oosten en het westen zullen velen komen en aan tafel gaan met Abraham, Isaak en Jakob in het hemelse koninkrijk. Maar zij die in het koninkrijk thuishoren, worden eruit gegooid, de duisternis in. Daar zullen ze huilen en knarsetanden.”

En tegen de officier zei Jezus: “Ga naar huis; moge het gebeuren, omdat u gelooft.” En op datzelfde moment werd de bediende beter.

Gekkie


Maar ik zeg u: ieder die kwaad is op een ander, moet zich voor de rechtbank verantwoorden. Als iemand een ander uitmaakt voor idioot, moet hij zich verantwoorden voor de Hoge Raad, en als iemand een ander uitmaakt voor gek, moet hij ervoor boeten in het hellevuur.

Een diepzinnige vergelijking

sirach 20:4

Als een castraat die een meisje wil ontmaagden,
zo is degene die het recht geweld aandoet.

Sara wordt beledigd


Diezelfde dag werd Sara, de dochter van Raguël, die in Ekbatana in Medieë woonde, beledigd door de dienstmeisjes van haar vader. Zij was namelijk al aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze demon Asmodaüs had hen gedood nog voor ze gemeenschap met haar hadden gehad.

En nu zeiden de dienstmeisjes tegen haar: “Bent u soms krankzinnig, dat u de mannen wurgt? Zeven hebt u er al gehad, maar geen enkele heeft u gekregen. Waarom mishandelt u ons? Als zij gestorven zijn, gaat u maar naar hen toe. Zodat we nooit ofte nimmer een zoon of dochter van u te zien krijgen.” Sara was zo geschokt dat ze zich wilde ophangen.

Aan een opdracht van de Heer valt niet te ontsnappen


Eens richtte de Heer zich tot Jona, de zoon van Amittai: “Ga naar de grote stad Nineve en klaag haar inwoners aan; want het kwaad dat zij doen, kan ik niet langer aanzien.” Maar om aan de opdracht van de Heer te ontkomen, besloot Jona naar Tarsis te vluchten. Hij ging naar Jafo en vond daar een schip met bestemming Tarsis. Hij betaalde voor de overtocht en scheepte zich met de bemanning in. Zo dacht hij aan de opdracht van de Heer te kunnen ontkomen.

Maar de Heer liet op de zee een zware storm losbarsten; de wind zweepte de golven zo hoog op dat het schip gevaar liep te breken. De zeelui werden bang en ieder van hen riep zijn eigen god te hulp. De lading gooiden zij overboord om het schip lichter te maken. Maar Jona, die naar beneden gegaan was en in het ruim lag te slapen, sliep door alles heen. Daar vond de kapitein hem: “Hoe kun jij hier liggen te slapen! Sta op, roep je god te hulp! Misschien zal die god zich ons lot aantrekken, zodat we niet vergaan.”

De zeelui zeiden tegen elkaar: “Laten we loten, dan kunnen we zien wie er schuldig is aan deze ramp!” Zij lieten het lot beslissen en Jona werd aangewezen. Zij zeiden tegen hem: “Vertel maar eens op: Waarom maak je deze reis? Waar kom je vandaan? Uit welk land kom je? Bij welk volk hoor je?” “Ik ben een Hebreeër,” antwoordde hij, “en ik vereer de Heer, de God van de hemel, die zee en land gemaakt heeft.” Toen de bemanningsleden dit hoorden, schrokken zij geweldig. Want zij wisten dat hij op de vlucht was om aan een opdracht van de Heer te ontkomen; dat had hij hun verteld.

“Hoe heb je zoiets kunnen doen?” vroegen ze. “Wat moeten we met je doen om de zee weer rustig te krijgen?” Want de zee werd steeds woester. “Gooi me maar overboord,” antwoordde hij, “dan zal de zee weer rustig worden. Want het is mijn schuld dat jullie in deze zware storm terechtgekomen zijn.” Maar zij spanden zich nog meer in om terug te roeien naar de kust; toch lukte dat niet, omdat de zee steeds woester werd.

Toen riepen ze tot de Heer: “Laat ons toch niet vergaan, Heer, als wij het leven van deze man opofferen. Als hij toch onschuldig is, beschouw ons dan niet als moordenaars. U bent de Heer. Wat u wilt, doet u ook!” Daarna gooiden ze Jona overboord en de zee werd weer kalm. Hierdoor kreeg de bemanning een diep ontzag voor de Heer; zij brachten hem offers en beloofden dat ze hem voortaan zouden vereren.