Posts tonen met het label mirakel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mirakel. Alle posts tonen

“Overal wordt het recht verkracht”


Er is veel bloed vergoten in het land, overal in de stad wordt het recht verkracht. De Heer ziet het niet, denken ze. Hij heeft het land verlaten. Daarom ontzie ik niemand, ik heb geen medelijden. Zij zullen de gevolgen van hun daden ondervinden.”

Het laatste oordeel


Toen zag ik een grote witte troon en hem die erop gezeten was. Hem voor wie aarde en hemel vluchtten en nooit meer werden gezien. En ik zag de doden, belangrijke en gewone mensen, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. En er werd een ander boek geopend, het boek van de levenden. De doden werden geoordeeld op grond van wat in de boeken stond opgeschreven, op grond van hun daden. En de zee gaf de doden die ze borg weer terug, en de dood en het dodenrijk gaven hun doden terug, en iedereen werd geoordeeld op grond van zijn daden. En de dood en het dodenrijk werden in de vuurzee gegooid. Dit is de tweede dood, de zee van vuur. En als bleek dat iemand niet was opgetekend in het boek van de levenden, dan werd hij in de vuurzee geworpen.

De Betrouwbare en de Waarachtige


Ik zag de hemel open en er verscheen een wit paard, bereden door hem die de Betrouwbare en de Waarachtige heet. het was hij die oordeelt en strijdt in gerechtigheid. Zijn ogen vlamden als vuur; op zijn hoofd droeg hij veel kronen en er stond een naam op geschreven die niemand kende dan hij alleen. Het gewaad dat hij droeg, was doordrenkt van bloed. Zijn naam is: “Het Woord van God”. De hemelse legers volgden hem op witte paarden en gehuld in smetteloos wit linnen. Uit zijn mond komt een scherp zwaard waarmee hij de ongelovige volken neerslaat. Hij is een herder met een ijzeren staf, hij zal ze vertreden als druiven in de wijnpers van de verschrikkelijke toorn van God, de Almachtige. Op zijn gewaad, op de hoogte van zijn heup, stond deze naam geschreven: “De hoogste koning en de opperste Heer”.

Toen zag ik een engel op de zon staan. Luid riep hij tegen alle vogels aan de hoge hemel: “Kom allemaal naar het grote maal dat God aanricht! Kom het vlees eten van koningen, legeraanvoerders en soldaten, het vlees van paarden en hun berijders, het vlees van allen, vrijen en slaven, geringe en machtige mensen!”

Daarna zag ik dat het beest en de koningen der aarde met hun legers zich verzamelden en de strijd aanbonden met hem die op het paard zat, en met zijn leger. Het beest werd gevangengenomen, evenals de valse profeet die in zijn bijzijn wondertekenen had verricht waarmee hij de mensen misleidde die het merkteken van het beest droegen en zijn beeld aanbaden. Het beest en de valse profeet werden levend in een zee van vuur gegooid, een zee van zwavel. Hun aanhang werd gedood door het zwaard dat uit de mond kwam van hem die het paard bereed, en alle vogels vraten zich vol aan hun vlees.

De grote hoer van Babylon


Een van de zeven engelen met de zeven schalen kwam naderbij en zei tegen me: “Kom! Ik zal u de veroordeling laten zien van de grote hoer, die zetelt aan vele waterstromen. De koningen der aarde hebben zich met haar afgegeven en de bewoners der aarde hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht.”

De Geest kwam over mij, en de engel bracht me naar een woestijn. Daar zag ik een vrouw zitten op een scharlakenrood beest, vol met godslasterlijke namen; het had zeven koppen en tien hoorns. De vrouw was gekleed in purper en scharlaken en was getooid met talrijke gouden sieraden, edelstenen en parels. In haar hand hield ze een gouden beker, gevuld met de schande en het vuil van haar hoererij. Op haar voorhoofd stond een naam geschreven met een geheime betekenis: “Het grote Babylon, de moeder van alle hoeren en van alle gruweldaden op aarde.” Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van hen die God toebehoren, en van het bloed van hen die van Jezus getuigd hadden.

Toen ik haar zag, was ik vol verwondering. Maar de engel zei: “Waarom verwondert u zich? …”

Gods toorn


Ik hoorde een stem vanuit de tempel, luid tegen de zeven engelen zeggen: “Ga en stort de zeven schalen die gevuld zijn met de toorn van God, over de aarde uit.”

De eerste engel ging en goot zijn schaal op de aarde leeg. De mensen die het merkteken van het beest droegen en die zijn beeld aanbaden, werden met akelige en pijnlijke zweren overdekt. De tweede engel goot zijn schaal uit in de zee. Het water veranderde in bloed, in het bloed van een dode, en al wat in de zee leefde, stierf. De derde engel goot zijn schaal leeg in de rivieren en de waterbronnen, en ook die veranderden in bloed.

En ik hoorde de engel van de wateren zeggen: “Rechtvaardig bent u, die is en die was, u, de Heilige, dat u dit vonnis hebt geveld! Zij vergoten het bloed van de heiligen en van de profeten, nu hebt u aan hen bloed te drinken gegeven. Dat hebben ze verdiend.”

En vanaf het altaar klonk het: “Ja, Heer, God, Almachtige, uw vonnis is gegrond en rechtvaardig!”

De vierde engel goot zijn schaal leeg over de zon. En hij kreeg de kracht om de mensen met vuur te verzengen. De mensen verbrandden van de grote hitte en ze vervloekten God die over de plagen beschikte. Ze keerden niet terug van hun weg, ze wilden hem geen eer bewijzen. De vijfde engel goot zijn schaal leeg over de troon van het beest. Duisternis viel over het koninkrijk van het beest. De mensen beten op hun tong van pijn en vervloekten God in de hemel, om de pijn van hun zweren. En ze keerden zich niet af van hun slechte daden.

De zesde engel goot zijn schaal leeg in de grote rivier, de Eufraat. Het water droogde op en maakte de weg vrij voor de koningen uit het oosten. Toen zag ik uit de bek van de draak, uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten komen. Zij zagen eruit als kikvorsen. Want het zijn demonen, die wondertekenen doen. Ze gaan naar alle koningen der aarde en verzamelen hen voor de strijd op de grote dag van de almachtige God.

“Weet dat ik kom als een dief! Gelukkig hij die waakt en zijn kleren aanhoudt, zodat hij niet naakt hoeft te gaan en men zijn schaamdelen ziet!”

De aarde wordt geoogst


Toen zag ik een witte wolk. Op de wolk zat iemand die er uitzag als een mens. Op zijn hoofd droeg hij een gouden kroon en in zijn hand had hij een scherpe sikkel. Uit de tempel kwam een engel. Tegen degene die op de wolk zat, riep hij luid: “Zwaai uw sikkel en haal de oogst binnen: het is tijd om te maaien, de aarde is rijp voor de oogst!” En hij die op de wolk zat, liet zijn sikkel over de aarde gaan en de aarde werd geoogst.

Uit de tempel in de hemel kwam een andere engel. Ook hij had een scherpe sikkel. Een derde engel, die zeggenschap had over het vuur, kwam het altaar af. Tegen de engel met de sikkel riep hij luid: “Zwaai uw scherpe sikkel en snij de druiventrossen van de wijnstokken op aarde, want ze zijn rijp.” En de engel sloeg zijn sikkel over de aarde, sneed de druiventrossen van de wijnstokken af en gooide ze in de grote wijnpers van Gods toorn. De druiven werden buiten de stad geperst en uit de wijnpers vloeide een stroom bloed die de paarden tot het bit reikte en die driehonderd kilometer lang was.

Het getal van het beest


Het was het tweede beest gegeven dit beeld leven in te blazen, zodat het kon spreken en iedereen kon laten doden die het beeld niet wilde aanbidden. Het dwong alle mensen, kleinen en groten, rijken en armen, vrijen en slaven, op hun rechterhand of op hun voorhoofd een merkteken te dragen. Zo kon iemand alleen iets kopen of verkopen als hij dat merkteken droeg, dat wil zeggen: de naam van het beest of het getal dat het symbool van die naam is. En nu is wijsheid geboden: wie inzicht heeft, laat hij het geheim van het getal van het beest ontraadselen; met het getal is namelijk een mens bedoeld en het getal is 666.

De engelen blazen op hun bazuin


De engel nam het wierookvat, deed het vol met vuur van het altaar en gooide het op aarde. Toen volgden er donderslagen en gerommel, bliksemflitsen en een aardbeving. En de zeven engelen met de zeven bazuinen maakten zich op om de bazuin te blazen.

En de eerste engel blies op zijn bazuin, en er kwam hagel en vuur, gemengd met bloed, en het werd op de aarde geworpen. Een derde deel van de aarde en een derde deel van de bomen gingen in vlammen op, en ook al het groene gras.

En de tweede engel blies op zijn bazuin, en iets als een grote berg waar de vlammen uitsloegen, werd in zee gegooid. Een derde deel van de zee veranderde in bloed, een derde deel van alle zeedieren ging dood, en en derde deel van de schepen verging.

En de derde engel blies op zijn bazuin,en uit de hemel viel een grote ster die brandde als een fakkel. Zij kwam neer op een derde deel van de rivieren en op de waterbronnen. De naam van de ster is: Alsem. Een derde deel van het water veranderde in bittere alsem, en veel mensen gingen dood doordat het water bitter was geworden.

En ik zag en hoorde een arend vliegen, hoog in de hemel, en hij riep luid: “Wee, wee! Wee de bewoners van de aarde als de bazuinen klinken van de drie engelen die nog moeten komen!”

En de vijfde engel blies op zijn bazuin, en ik zag dat er uit de hemel een ster op aarde was gevallen. Die ster kreeg de sleutel van de schacht naar de afgrond. Toen zij die daarmee opende, steeg er rook op uit de schacht, als rook uit een grote oven; de zon en de lucht werden erdoor verduisterd. Uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde neer die evenveel kracht kregen als de schorpioenen op aarde hebben.

Hun werd gezegd geen schade toe te brengen aan al het groen op aarde, het gras en de bomen, maar alleen aan de mensen die niet het zegel van God op hun voorhoofd droegen. Ze mochten hen niet doden, ze moesten hen pijnigen, vijf maanden lang. En de pijn die ze veroorzaakten was even erg als de pijn van een schorpioenensteek. In die tijd zullen de mensen de dood zoeken maar hem niet vinden; ze zullen willen sterven, maar de dood ontloopt hen.

De sprinkhanen zagen eruit als paarden die klaarstaan voor de strijd. Op hun koppen droegen ze zoiets als gouden kronen. Ze hadden een gezicht als van een mens en haren als van een vrouw en tanden als van een leeuw. Hun borstschilden waren als ijzer en het gedruis van hun vleugels klonk als dat van strijdwagens met veel paarden ervoor. Ze hadden een staart en een angel als die van een schorpioen, en in hun staart zat de kracht om de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang. Hun koning was de engel van de afgrond. In het Hebreeuws heet hij “Abaddon”, in het Grieks “Apollyon”: Verderver. Het eerste “wee” is voorbijgetrokken: nog twee weeën zullen er volgen.

En de zesde engel blies op zijn bazuin, en uit de vier hoeken van het gouden altaar dat voor God staat, hoorde ik een stem tegen de zesde engel met de bazuin zeggen: “Laat de vier engelen los die vastzitten bij de grote rivier de Eufraat.” De engelen werden losgelaten; ze waren gereedgehouden om op het uur van een zekere dag in een bepaalde maand en in een bepaald jaar een derde deel van de mensheid te doden. Ik hoorde het aantal bereden troepen noemen; het bedroeg tweemaal tienduizend keer tienduizenden.

In dat visioen zag ik de paarden en hun berijders: ze droegen harnassen die vuurrood, hyacintblauw en zwavelgeel waren. De koppen van hun paarden leken op die van leeuwen en uit hun bekken kwamen vuur, rook en zwavel. Door deze drie plagen: het vuur, de rook en de zwavel die uit hun bek kwamen, vond een derde deel van de mensen de dood. De kracht van de paarden zit in hun bek en ook in hun staart. Hun staarten lijken slangen met koppen, en daarmee brengen ze schade toe.

Het geslachte Lam begint de vernietiging van de wereld


Ik zag dat het Lam de eerste van de zeven zegels verbrak en ik hoorde het eerste van de vier levende wezens zeggen, en het klonk als een donderslag: “Kom!” Er verscheen een wit paard; zijn berijder had een boog. Hij ontving een zegekrans en reed weg, een overwinnaar die overwinnen zal. Toen het Lam het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede wezen roepen: “Kom!” Er verscheen een ander paard, het was rood. Zijn berijder kreeg de macht de vrede van de aarde weg te nemen, zodat de mensen elkaar zouden doden. Er werd hem een groot zwaard gegeven. …

Toen het Lam het vierde zegel verbrak, hoorde ik het vierde wezen roepen: “Kom!” Ik zag een paard verschijnen, dat groen was. Zijn berijder heette de Dood en het dodenrijk kwam achter hem aan. Hij kreeg de macht om een vierde deel van de aarde om te brengen door het zwaard en door hongersnood, pest en wilde dieren.

Toen het Lam het vijfde zegel verbrak, zag ik onder het altaar de zielen van hen die gedood waren omdat ze getuigenis hadden afgelegd van de boodschap van God. Ze riepen luid: “Heilige en waarachtige Heerser! Hoelang zal het nog duren voordat u rechtspreekt over de bewoners van de aarde en ons bloed op hen wreekt?” Aan ieder van hen werd een wit gewaad gegeven, en er werd hun gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat hun aantal aangevuld zou zijn met hun broeders, ook dienaren van God, die gedood zouden worden als zij.

Ik zag het Lam het zesde zegel verbreken. Er volgde een zware aardbeving; de zon werd zwart als een rouwkleed en de maan werd helemaal rood, als bloed. De sterren van de hemel vielen op aarde neer als vijgen die door een stormwind van de boom worden geschud. Het uitspansel verdween als een stuk papier dat wordt opgerold, en alle bergen en eilanden werden van hun plaats gerukt. Koningen der aarde, edelen, legeraanvoerders, rijken en machtigen, en alle andere mensen, slaven en vrije burgers, verborgen zich in de spelonken en tussen de rotsen in de bergen. En ze riepen tot de bergen en de rotsen: “Val op ons neer en verberg ons voor de blik van hem die op de troon is gezeten en voor de toorn van het Lam! Want de grote dag van hun wraak is aangebroken, en wie kan dan staande blijven?”

Hoe het er rondom Gods troon aan toe gaat


Toen kreeg ik een ander visioen. Een deur in de hemel stond open, en de stem die al eerder tot mij had gesproken en die had geklonken als een bazuin, zei: “Kom hierboven, dan zal ik u laten zien wat hierna gebeuren moet.” Meteen kwam de Geest over mij, en zie: er stond een troon in de hemel en er zat iemand op die troon. En degene die op die troon zat, straalde als jaspis en kornalijn. Over zijn troon stond de regenboog, schitterend als smaragd, en in een kring eromheen stonden vierentwintig andere tronen waarop vierentwintig oudsten zaten, gehuld in witte kleren en met gouden kronen op het hoofd. Uit de troon kwamen bliksemflitsen, gerommel en donderslagen; vóór de troon brandden zeven vurige fakkels, de zeven geesten van God. En voor de troon strekte zich iets uit dat leek op een zee van glas, van kristal.

Midden voor de troon en er rond omheen waren vier levende wezens, van voren en van achteren vol ogen. Het eerste wezen leek op een leeuw, het tweede op een jonge stier, het derde zag eruit als een mens en het vierde leek op een vliegende arend. Ze hadden elk zes vleugels en waren overdekt met ogen, zowel van binnen als van buiten. Zonder ophouden, dag en nacht, zeiden ze: “Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.” …

En ik zag in de rechterhand van hem die op de troon was gezeten, een boekrol, van binnen en van buiten beschreven, en verzegeld met zeven zegels. Ook zag ik een machtige engel. Hij riep luid: “Wie komt de eer toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?” Maar niemand in de hemel, op aarde of onder de aarde was in staat de boekrol te openen en te lezen. Ik brak in tranen uit, omdat niemand de eer bleek toe te komen de boekrol te openen of te lezen. Maar een van de oudsten zei tegen me: “Huil niet! De leeuw uit de stam Juda, de telg van David, heeft overwonnen: hij kan de zeven zegels verbreken en de boekrol openen.”

Toen zag ik midden voor de troon en omgeven door de vier wezens en de oudsten een lam staan. Het Lam leek geslacht. Het had zeven hoorns en zeven ogen:  dat zijn de zeven geesten van God die over de hele wereld zijn uitgestuurd. Het Lam kwam naar voren en nam de boekrol aan uit de rechterhand van hem die op de troon was gezeten. Toen het de boekrol nam, vielen de vier wezens en de vierentwintig oudsten voor het Lam neer. De oudsten hadden ieder een harp en een gouden schaal vol reukwerk, dat zijn de gebeden van hen die God toebehoren. En ze zongen een nieuw lied:

“U komt de eer toe de boekrol te nemen en haar zegels te verbreken. Want u bent geslacht en met uw bloed hebt u voor God mensen gekocht uit elke stam en taal, uit elk volk en ras. U hebt hen tot koningen gemaakt, tot priesters voor onze God en zij zullen heersen op aarde.”

Toen hoorde en zag ik vele engelen rondom de troon, met de vier wezens en de oudsten. Zij waren met duizenden en duizenden, ja met miljoenen. En zij riepen luid: “Het Lam dat geslacht werd, komt de eer toe om de macht te ontvangen, de rijkdom, de wijsheid en de kracht, de eer, de glorie, de lof.”

En ik hoorde elk schepsel in de hemel en op de aarde, onder de aarde en in de zee, ja alle wezens in het heelal zingen: “Aan hem die op de troon is gezeten, en aan het Lam komen toe: lof en eer, glorie en kracht voor altijd, voor eeuwig!” En de vier levende wezens antwoordden: “Amen!” en de oudsten vielen in aanbidding neer.

Prijs de Heer, of sterf


Op een daarvoor vastgestelde dag nam Herodes in koninklijk gewaad plaats op zijn troon en sprak hen toe. En het samengestroomde volk juichte hem toe: “De stem van een god, niet van een mens!” En onmiddellijk, omdat hij God de eer niet gaf, sloeg een engel van de Heer hem neer en stierf hij; hij was door wormen aangevreten.

De commune


De groep van gelovigen was één van hart en ziel. Niemand eiste iets van wat hij bezat voor zichzelf op, integendeel: alles was gemeenschappelijk bezit. Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af van de opstanding van de Heer Jezus, en Gods zegen was over hen allen. Er was niemand onder hen die gebrek leed. Want wie landerijen of huizen bezaten, verkochten die. Het geld van de verkoop brachten ze naar de apostelen en ze legden het aan hun voeten neer. En iedereen kreeg zoveel toebedeeld als hij nodig had.

Zo was er een zekere Jozef die door de apostelen Barnabas werd genoemd, wat Man van troost betekent; hij was een leviet, afkomstig van Cyprus. De akker die hij bezat, verkocht hij en het geld bracht hij naar de apostelen en legde het aan hun voeten neer.

Een zekere Ananias verkocht samen met zijn vrouw Saffira ook een stuk land. Met haar medeweten hield hij een deel van de opbrengst achter en bracht de rest naar de apostelen en legde die aan hun voeten neer. “Ananias,” zei Petrus, “waarom heeft Satan uw hart vervuld en u ertoe gebracht de heilige Geest te bedriegen en een deel van de opbrengst achter te houden?  Het land was vóór de verkoop toch uw eigendom en na de verkoop was de opbrengst toch ook van u?  Wat heeft u bezield om zo te handelen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God!” Bij het horen van die woorden viel Ananias dood neer.

En allen die ervan hoorden, werden met diep ontzag vervuld. Een paar jongemannen stonden op en legden een kleed over hem heen; toen droegen ze hem weg en begroeven hem. Ongeveer drie uur later kwam Ananias' vrouw binnen, onkundig van wat er gebeurd was. “Is dat de prijs waarvoor jullie dat land hebben verkocht?” vroeg Petrus haar. “Ja,” antwoordde ze, “dat is het.”

“Hoe hebben jullie samen kunnen besluiten de Geest van de Heer op de proef te stellen!” hernam Petrus. “Hoor! Voor de deur klinken de voetstappen van hen die uw man begraven hebben, en ook u zullen ze uitdragen.” Meteen viel ze dood aan zijn voeten neer. Binnengekomen troffen de jongemannen haar dood aan; ze droegen haar weg en begroeven haar bij haar man. Heel de gemeente werd met diep ontzag vervuld en ook allen die ervan hoorden.

Ongelovige Tomas


Een van de twaalf, Tomas – dat betekent Tweeling –, was er niet bij toen Jezus bij hen kwam. “We hebben de Heer gezien,” zeiden de andere leerlingen tegen hem. Maar hij antwoordde: “Alleen als ik in zijn handen de littekens van de spijkers zie en mijn vinger erin kan steken en als ik mijn hand in zijn zij kan steken, zal ik het geloven.”

Een week later waren zijn leerlingen weer bijeen en nu was Tomas bij hen. Toen kwam Jezus bij hen, hoewel de deur op slot was. Hij stond in hun midden en zei: “Vrede.” Toen richtte hij zich tot Tomas: “Leg je vinger hier,” zei hij, “en kijk naar mijn handen; kom met je hand en steek die in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof!” Tomas zei: “Mijn Heer en mijn God!”

Jezus maakt Lazarus tot zombie


Opnieuw ergerde Jezus zich en hij ging naar het graf, een spelonk in de rotsen, met een steen voor de ingang. “Haal die steen weg!” zei Jezus.

“Heer, er hangt al een lijklucht,” zei Marta, de zuster van de dode, tegen hem. “Het is al de vierde dag!” Jezus zei tegen haar: “Heb ik je niet gezegd dat je de glorie van God zult zien als je gelooft?” Toen haalden ze de steen weg.

Jezus sloeg zijn ogen op en zei: “Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord. Ik weet dat u mij altijd verhoort, maar ik zeg dit voor de mensen om mij heen: dan zullen zij geloven dat u mij gezonden hebt.” Na deze woorden riep hij luid: “Lazarus, kom naar buiten!” De dode kwam naar buiten:  zijn handen en voeten gewikkeld in linnen banden en om zijn hoofd een zweetdoek. “Maak hem los en laat hem gaan,” zei Jezus.

Jezus drijft geesten in een kudde varkens


Toen hij aan land was gegaan, kwam uit de stad een man op hem af. Het was iemand die bezeten was. Hij liep altijd zonder kleren rond en een huis had hij niet; hij woonde in de grafspelonken. Toen hij Jezus zag, gaf hij een schreeuw, viel voor hem neer, en riep: “Jezus, Zoon van de allerhoogste God, wat wilt u van me? Ik smeek u: pijnig me niet!”

Jezus had namelijk de onreine geest bevel gegeven uit de man weg te gaan. Al dikwijls had die geest hem meegesleurd en dan hadden de mensen hem aan handen en voeten gebonden om hem in bedwang te houden. Maar elke keer verbrak hij zijn boeien en werd hij door die demon de woestijn ingedreven. Jezus vroeg hem: “Wat is uw naam?” “Legio,” antwoordde hij. Want veel demonen waren bij de man ingetrokken.

En de demonen smeekten hem, dat hij hun niet zou opdragen zich in de afgrond te storten. Nu werd daar op de helling van een heuvel een grote kudde varkens gehoed. De demonen vroegen hem toestemming om bij die varkens hun intrek te nemen; hij stond hun dat toe. En ze gingen weg uit de man en trokken in bij de varkens, en de kudde stormde de helling af, het meer in en verdronk.

Toen de varkenshoeders zagen wat er gebeurde, vluchtten ze weg en vertelden het overal in de stad en op het land. De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. Bij Jezus gekomen, vonden ze de man aan zijn voeten zitten, nu bevrijd van de demonen, gekleed en bij zijn volle verstand. Ze schrokken ervan.

Jezus vervloekt een vijgenboom


Toen ze de volgende morgen weer uit Betanië waren weggegaan, kreeg Jezus honger. In de verte zag hij een vijgenboom in blad staan en hij ging kijken of er wat vijgen aan zaten. Maar toen hij bij de boom kwam, zag hij niets dan bladeren, want voor vijgen was het de tijd nog niet. Toen zei hij tegen de boom: “Nooit zal iemand van jou meer een vrucht eten, nooit meer!” Zijn leerlingen hoorden dat.
...
De volgende morgen, toen ze weer langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat hij verdord was tot op de wortel. Petrus moest denken aan wat Jezus tegen de boom gezegd had. “Rabbi,” zei hij, “kijk, de vijgenboom die u vervloekt hebt, is helemaal verdord.” Toen zei Jezus tegen hen: “Heb geloof in God. Ik verzeker jullie:  wie tegen deze berg zou zeggen:  kom omhoog en stort je in zee, en in zijn hart niet zou twijfelen maar geloven dat wat hij zegt, gebeurt – het zal gebeuren. Daarom zeg ik jullie: bij alles waar je in je gebed om vraagt, geloof dat je het al gekregen hebt en je zult het krijgen. ...”

“Wie niet tegen ons is, is vóór ons.”


Thuis vroeg hij hun: “Waar hadden jullie het onderweg toch over?” Ze zwegen, want onderweg hadden ze erover geruzied wie van hen de belangrijkste was. Jezus ging zitten, riep de twaalf bij zich en zei: “Wie de eerste wil zijn, moet alle anderen laten voorgaan en ieder ander dienen.” En hij trok een kind naar zich toe, zette het in hun midden en sloeg er zijn arm omheen. “Wie in mijn naam zo'n kind opneemt, neemt mij op,” zei hij, “en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.”

“Meester,” zei Johannes tegen hem, “we zagen iemand die demonen uitdreef onder het aanroepen van uw naam. We hebben geprobeerd het hem te verhinderen, omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten.” “Leg hem niets in de weg,” antwoordde Jezus, “want iemand die onder het aanroepen van mijn naam een wonder doet, kan mij niet kort daarna vervloeken. Wie niet tegen ons is, is vóór ons.

Ik verzeker jullie: als iemand jullie een beker water geeft omdat je bij Christus hoort, hij zal er zeker voor beloond worden. Wie één van deze eenvoudige mensen die geloven, van de goede weg afbrengt, het zou beter voor hem geweest zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee gegooid was. Als je hand er de oorzaak van is dat je van de rechte weg afdwaalt, hak hem dan af. Je kunt beter verminkt het eeuwige leven binnengaan dan met beide handen in de hel terechtkomen, in het vuur dat nooit uitgaat. Als je voet er de oorzaak van is dat je van de rechte weg afdwaalt, hak hem dan af. Je kunt beter kreupel het eeuwige leven binnengaan dan met beide voeten in de hel geworpen worden. En als je oog er de oorzaak van is dat je van de rechte weg afdwaalt, ruk het dan uit. Je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan, dan met beide ogen in de hel geworpen worden, waar de wormen blijven knagen en het vuur niet wordt gedoofd.

Iedereen moet door het vuur van de beproeving gaan en zo gezouten worden. ...”

Jezus wast witter dan wit


Zes dagen later ging Jezus met Petrus, Jakobus en Johannes een hoge berg op. Met hen alleen. En daar veranderde hij voor hun ogen van gedaante en zijn kleren werden stralend wit, zo wit als niemand op aarde ze wassen kan.

Jezus de opticien


Ze kwamen in Betsaïda. Daar bracht men een blinde bij Jezus en men vroeg hem of hij hem wilde aanraken. Hij nam de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Toen raakte hij met speeksel de ogen van de man aan en hij legde hem de handen op.

“Ziet u al iets?” vroeg hij. De man keek rond en antwoordde: “Ik zie bomen – nee, het moeten mensen zijn, want ze lopen.” Jezus legde nog eens de handen op zijn ogen. Nu zag hij scherp, zijn ogen waren weer goed en hij kon alles duidelijk zien.

“Wat is hier aan de hand?”


Op dat ogenblik was er in hun synagoge een man die in de macht was van een onreine geest. En hij schreeuwde: “Wat wilt u van ons, Jezus van Nazaret? Bent u soms gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie u bent: u bent de heilige van God!” Jezus zei streng: “Zwijg en ga uit de man weg.” De onreine geest deed de man stuiptrekken en ging met een luide schreeuw uit hem weg. Alle mensen stonden versteld en zeiden onder elkaar: “Wat is hier aan de hand? ...”