Posts tonen met het label score2. Alle posts tonen
Posts tonen met het label score2. Alle posts tonen

Gods toorn


Ik hoorde een stem vanuit de tempel, luid tegen de zeven engelen zeggen: “Ga en stort de zeven schalen die gevuld zijn met de toorn van God, over de aarde uit.”

De eerste engel ging en goot zijn schaal op de aarde leeg. De mensen die het merkteken van het beest droegen en die zijn beeld aanbaden, werden met akelige en pijnlijke zweren overdekt. De tweede engel goot zijn schaal uit in de zee. Het water veranderde in bloed, in het bloed van een dode, en al wat in de zee leefde, stierf. De derde engel goot zijn schaal leeg in de rivieren en de waterbronnen, en ook die veranderden in bloed.

En ik hoorde de engel van de wateren zeggen: “Rechtvaardig bent u, die is en die was, u, de Heilige, dat u dit vonnis hebt geveld! Zij vergoten het bloed van de heiligen en van de profeten, nu hebt u aan hen bloed te drinken gegeven. Dat hebben ze verdiend.”

En vanaf het altaar klonk het: “Ja, Heer, God, Almachtige, uw vonnis is gegrond en rechtvaardig!”

De vierde engel goot zijn schaal leeg over de zon. En hij kreeg de kracht om de mensen met vuur te verzengen. De mensen verbrandden van de grote hitte en ze vervloekten God die over de plagen beschikte. Ze keerden niet terug van hun weg, ze wilden hem geen eer bewijzen. De vijfde engel goot zijn schaal leeg over de troon van het beest. Duisternis viel over het koninkrijk van het beest. De mensen beten op hun tong van pijn en vervloekten God in de hemel, om de pijn van hun zweren. En ze keerden zich niet af van hun slechte daden.

De zesde engel goot zijn schaal leeg in de grote rivier, de Eufraat. Het water droogde op en maakte de weg vrij voor de koningen uit het oosten. Toen zag ik uit de bek van de draak, uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten komen. Zij zagen eruit als kikvorsen. Want het zijn demonen, die wondertekenen doen. Ze gaan naar alle koningen der aarde en verzamelen hen voor de strijd op de grote dag van de almachtige God.

“Weet dat ik kom als een dief! Gelukkig hij die waakt en zijn kleren aanhoudt, zodat hij niet naakt hoeft te gaan en men zijn schaamdelen ziet!”

De engelen blazen op hun bazuin


De engel nam het wierookvat, deed het vol met vuur van het altaar en gooide het op aarde. Toen volgden er donderslagen en gerommel, bliksemflitsen en een aardbeving. En de zeven engelen met de zeven bazuinen maakten zich op om de bazuin te blazen.

En de eerste engel blies op zijn bazuin, en er kwam hagel en vuur, gemengd met bloed, en het werd op de aarde geworpen. Een derde deel van de aarde en een derde deel van de bomen gingen in vlammen op, en ook al het groene gras.

En de tweede engel blies op zijn bazuin, en iets als een grote berg waar de vlammen uitsloegen, werd in zee gegooid. Een derde deel van de zee veranderde in bloed, een derde deel van alle zeedieren ging dood, en en derde deel van de schepen verging.

En de derde engel blies op zijn bazuin,en uit de hemel viel een grote ster die brandde als een fakkel. Zij kwam neer op een derde deel van de rivieren en op de waterbronnen. De naam van de ster is: Alsem. Een derde deel van het water veranderde in bittere alsem, en veel mensen gingen dood doordat het water bitter was geworden.

En ik zag en hoorde een arend vliegen, hoog in de hemel, en hij riep luid: “Wee, wee! Wee de bewoners van de aarde als de bazuinen klinken van de drie engelen die nog moeten komen!”

En de vijfde engel blies op zijn bazuin, en ik zag dat er uit de hemel een ster op aarde was gevallen. Die ster kreeg de sleutel van de schacht naar de afgrond. Toen zij die daarmee opende, steeg er rook op uit de schacht, als rook uit een grote oven; de zon en de lucht werden erdoor verduisterd. Uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde neer die evenveel kracht kregen als de schorpioenen op aarde hebben.

Hun werd gezegd geen schade toe te brengen aan al het groen op aarde, het gras en de bomen, maar alleen aan de mensen die niet het zegel van God op hun voorhoofd droegen. Ze mochten hen niet doden, ze moesten hen pijnigen, vijf maanden lang. En de pijn die ze veroorzaakten was even erg als de pijn van een schorpioenensteek. In die tijd zullen de mensen de dood zoeken maar hem niet vinden; ze zullen willen sterven, maar de dood ontloopt hen.

De sprinkhanen zagen eruit als paarden die klaarstaan voor de strijd. Op hun koppen droegen ze zoiets als gouden kronen. Ze hadden een gezicht als van een mens en haren als van een vrouw en tanden als van een leeuw. Hun borstschilden waren als ijzer en het gedruis van hun vleugels klonk als dat van strijdwagens met veel paarden ervoor. Ze hadden een staart en een angel als die van een schorpioen, en in hun staart zat de kracht om de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang. Hun koning was de engel van de afgrond. In het Hebreeuws heet hij “Abaddon”, in het Grieks “Apollyon”: Verderver. Het eerste “wee” is voorbijgetrokken: nog twee weeën zullen er volgen.

En de zesde engel blies op zijn bazuin, en uit de vier hoeken van het gouden altaar dat voor God staat, hoorde ik een stem tegen de zesde engel met de bazuin zeggen: “Laat de vier engelen los die vastzitten bij de grote rivier de Eufraat.” De engelen werden losgelaten; ze waren gereedgehouden om op het uur van een zekere dag in een bepaalde maand en in een bepaald jaar een derde deel van de mensheid te doden. Ik hoorde het aantal bereden troepen noemen; het bedroeg tweemaal tienduizend keer tienduizenden.

In dat visioen zag ik de paarden en hun berijders: ze droegen harnassen die vuurrood, hyacintblauw en zwavelgeel waren. De koppen van hun paarden leken op die van leeuwen en uit hun bekken kwamen vuur, rook en zwavel. Door deze drie plagen: het vuur, de rook en de zwavel die uit hun bek kwamen, vond een derde deel van de mensen de dood. De kracht van de paarden zit in hun bek en ook in hun staart. Hun staarten lijken slangen met koppen, en daarmee brengen ze schade toe.

Hoe het er rondom Gods troon aan toe gaat


Toen kreeg ik een ander visioen. Een deur in de hemel stond open, en de stem die al eerder tot mij had gesproken en die had geklonken als een bazuin, zei: “Kom hierboven, dan zal ik u laten zien wat hierna gebeuren moet.” Meteen kwam de Geest over mij, en zie: er stond een troon in de hemel en er zat iemand op die troon. En degene die op die troon zat, straalde als jaspis en kornalijn. Over zijn troon stond de regenboog, schitterend als smaragd, en in een kring eromheen stonden vierentwintig andere tronen waarop vierentwintig oudsten zaten, gehuld in witte kleren en met gouden kronen op het hoofd. Uit de troon kwamen bliksemflitsen, gerommel en donderslagen; vóór de troon brandden zeven vurige fakkels, de zeven geesten van God. En voor de troon strekte zich iets uit dat leek op een zee van glas, van kristal.

Midden voor de troon en er rond omheen waren vier levende wezens, van voren en van achteren vol ogen. Het eerste wezen leek op een leeuw, het tweede op een jonge stier, het derde zag eruit als een mens en het vierde leek op een vliegende arend. Ze hadden elk zes vleugels en waren overdekt met ogen, zowel van binnen als van buiten. Zonder ophouden, dag en nacht, zeiden ze: “Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.” …

En ik zag in de rechterhand van hem die op de troon was gezeten, een boekrol, van binnen en van buiten beschreven, en verzegeld met zeven zegels. Ook zag ik een machtige engel. Hij riep luid: “Wie komt de eer toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?” Maar niemand in de hemel, op aarde of onder de aarde was in staat de boekrol te openen en te lezen. Ik brak in tranen uit, omdat niemand de eer bleek toe te komen de boekrol te openen of te lezen. Maar een van de oudsten zei tegen me: “Huil niet! De leeuw uit de stam Juda, de telg van David, heeft overwonnen: hij kan de zeven zegels verbreken en de boekrol openen.”

Toen zag ik midden voor de troon en omgeven door de vier wezens en de oudsten een lam staan. Het Lam leek geslacht. Het had zeven hoorns en zeven ogen:  dat zijn de zeven geesten van God die over de hele wereld zijn uitgestuurd. Het Lam kwam naar voren en nam de boekrol aan uit de rechterhand van hem die op de troon was gezeten. Toen het de boekrol nam, vielen de vier wezens en de vierentwintig oudsten voor het Lam neer. De oudsten hadden ieder een harp en een gouden schaal vol reukwerk, dat zijn de gebeden van hen die God toebehoren. En ze zongen een nieuw lied:

“U komt de eer toe de boekrol te nemen en haar zegels te verbreken. Want u bent geslacht en met uw bloed hebt u voor God mensen gekocht uit elke stam en taal, uit elk volk en ras. U hebt hen tot koningen gemaakt, tot priesters voor onze God en zij zullen heersen op aarde.”

Toen hoorde en zag ik vele engelen rondom de troon, met de vier wezens en de oudsten. Zij waren met duizenden en duizenden, ja met miljoenen. En zij riepen luid: “Het Lam dat geslacht werd, komt de eer toe om de macht te ontvangen, de rijkdom, de wijsheid en de kracht, de eer, de glorie, de lof.”

En ik hoorde elk schepsel in de hemel en op de aarde, onder de aarde en in de zee, ja alle wezens in het heelal zingen: “Aan hem die op de troon is gezeten, en aan het Lam komen toe: lof en eer, glorie en kracht voor altijd, voor eeuwig!” En de vier levende wezens antwoordden: “Amen!” en de oudsten vielen in aanbidding neer.

Wees een eerbiedige slaaf


Een vrouw kan als weduwe worden ingeschreven, als ze niet jonger is dan zestig en slechts één man heeft gehad. Ze moet bekendstaan om haar goede daden: omdat ze kinderen heeft grootgebracht, gastvrijheid verleend, gelovigen de voeten heeft gewassen, mensen in moeilijkheden heeft ondersteund, kortom omdat ze zich voor allerlei goed werk ingezet heeft.

Jezus maakt Lazarus tot zombie


Opnieuw ergerde Jezus zich en hij ging naar het graf, een spelonk in de rotsen, met een steen voor de ingang. “Haal die steen weg!” zei Jezus.

“Heer, er hangt al een lijklucht,” zei Marta, de zuster van de dode, tegen hem. “Het is al de vierde dag!” Jezus zei tegen haar: “Heb ik je niet gezegd dat je de glorie van God zult zien als je gelooft?” Toen haalden ze de steen weg.

Jezus sloeg zijn ogen op en zei: “Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord. Ik weet dat u mij altijd verhoort, maar ik zeg dit voor de mensen om mij heen: dan zullen zij geloven dat u mij gezonden hebt.” Na deze woorden riep hij luid: “Lazarus, kom naar buiten!” De dode kwam naar buiten:  zijn handen en voeten gewikkeld in linnen banden en om zijn hoofd een zweetdoek. “Maak hem los en laat hem gaan,” zei Jezus.

“Wie niet tegen ons is, is vóór ons.”


Thuis vroeg hij hun: “Waar hadden jullie het onderweg toch over?” Ze zwegen, want onderweg hadden ze erover geruzied wie van hen de belangrijkste was. Jezus ging zitten, riep de twaalf bij zich en zei: “Wie de eerste wil zijn, moet alle anderen laten voorgaan en ieder ander dienen.” En hij trok een kind naar zich toe, zette het in hun midden en sloeg er zijn arm omheen. “Wie in mijn naam zo'n kind opneemt, neemt mij op,” zei hij, “en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.”

“Meester,” zei Johannes tegen hem, “we zagen iemand die demonen uitdreef onder het aanroepen van uw naam. We hebben geprobeerd het hem te verhinderen, omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten.” “Leg hem niets in de weg,” antwoordde Jezus, “want iemand die onder het aanroepen van mijn naam een wonder doet, kan mij niet kort daarna vervloeken. Wie niet tegen ons is, is vóór ons.

Ik verzeker jullie: als iemand jullie een beker water geeft omdat je bij Christus hoort, hij zal er zeker voor beloond worden. Wie één van deze eenvoudige mensen die geloven, van de goede weg afbrengt, het zou beter voor hem geweest zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee gegooid was. Als je hand er de oorzaak van is dat je van de rechte weg afdwaalt, hak hem dan af. Je kunt beter verminkt het eeuwige leven binnengaan dan met beide handen in de hel terechtkomen, in het vuur dat nooit uitgaat. Als je voet er de oorzaak van is dat je van de rechte weg afdwaalt, hak hem dan af. Je kunt beter kreupel het eeuwige leven binnengaan dan met beide voeten in de hel geworpen worden. En als je oog er de oorzaak van is dat je van de rechte weg afdwaalt, ruk het dan uit. Je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan, dan met beide ogen in de hel geworpen worden, waar de wormen blijven knagen en het vuur niet wordt gedoofd.

Iedereen moet door het vuur van de beproeving gaan en zo gezouten worden. ...”

Jezus discrimineert er op los


Jezus ging daarvandaan naar het gebied van Tyrus en Sidon. Een Kananese vrouw uit die streek kwam naar hem toe. Ze riep: “Heer, Zoon van David, heb medelijden met mij. Mijn dochter is bezeten; ze is er vreselijk aan toe.”Maar hij gaf haar helemaal geen antwoord. “Stuur haar weg,” vroegen zijn leerlingen hem. “Ze blijft ons naroepen.” Hij antwoordde: “Ik ben alleen naar de verloren schapen van het volk Israël gestuurd.” Maar de vrouw kwam dichterbij en viel voor hem op de knieën. “Heer, help mij,” zei ze. Hij antwoordde: “Het is niet juist het brood dat voor de kinderen bestemd is, de honden voor te gooien.”

Beloofd is beloofd


Op zekere dag zag Herodias haar kans schoon. Herodes vierde zijn verjaardag en gaf een feest voor de hoogwaardigheidsbekleders, de hoge officieren en de vooraanstaanden van Galilea. De dochter van Herodias kwam de feestzaal binnen en danste voor het gezelschap. Ze viel zo bij Herodes en zijn gasten in de smaak dat de koning tegen het meisje zei: “Vraag me wat je maar wilt en ik zal het je geven.” Hij zwoer het haar: “Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, al was het de helft van mijn koninkrijk!”

Het meisje ging de zaal uit naar haar moeder en vroeg: “Wat zal ik vragen?” “Het hoofd van Johannes de Doper,” was het antwoord. Meteen ging ze weer naar binnen en liep haastig op de koning toe en zei: “Ik wil dat u mij op een schaal het hoofd van Johannes de Doper geeft, nu dadelijk.”

De koning werd diepbedroefd, maar hij kon niet weigeren, want hij had een eed gedaan waar al zijn gasten bij waren. Hij stuurde meteen een soldaat van de wacht met het bevel het hoofd van Johannes te brengen. De soldaat ging naar de gevangenis en onthoofdde Johannes. Hij bracht het hoofd op een schaal binnen en gaf het aan het meisje en het meisje gaf het aan haar moeder.

Daniël doodt een draak, en overnacht in de leeuwenkuil


De Babyloniërs vereerden ook nog een grote draak. De koning sprak Daniël over die draak en zei: “Van hem kunt u niet zeggen dat hij geen levende god is: aanbid hem dus!” Daarop antwoordde Daniël: “De Heer mijn God aanbid ik, want Hij is een levende God. Geef mij toestemming, koning, dan zal ik zonder stok of zwaard de draak doden.” De koning zei: “Ik geef u toestemming.” Daniël nam nu pek, vet en haren, bracht dat samen aan de kook en maakte er koeken van, die hij in de muil van de draak stopte. Het beest vrat ze op en barstte open. Toen zei Daniël: “Dat hebben jullie vereerd!”

Toen de Babyloniërs hiervan hoorden, waren ze woedend; ze keerden zich tegen de koning en riepen: “De koning is een Jood geworden; hij heeft Bel vernield, de draak gedood en de priesters laten afslachten.” Ze gingen naar de koning en eisten: “Lever Daniël aan ons uit, anders doden we u en de uwen.” Zich ernstig bedreigd voelend, leverde de koning noodgedwongen Daniël aan hen uit. Zij wierpen hem in de leeuwenkuil, waar hij zes dagen bleef. In de kuil zaten zeven leeuwen, die men dagelijks twee lijken en twee schapen gaf; toen gaf men ze echter niets, zodat ze Daniël zouden verslinden.

In Judea leefde toen de profeet Habakuk. Hij had wat moes gekookt en enkele broden in een schotel gebrokkeld en was daarmee op weg naar het veld om het de maaiers te brengen. Maar een engel van de Heer beval Habakuk: “Breng het maal dat u daar hebt naar Babel, naar Daniël in de leeuwenkuil.” Habakuk antwoordde: “Heer, ik ben nooit in Babel geweest en de kuil is mij onbekend.” Toen greep de engel hem bij de haren van zijn kruin vast en droeg hem met de snelheid van de geest naar Babel, waar hij hem boven de kuil zette.

Daar riep Habakuk: “Daniël! Daniël! Neem het maal dat God u zendt.” Daniël zei: “God, U hebt werkelijk aan mij gedacht; nog nooit hebt U degenen die U liefhebben verlaten.” Toen stond Daniël op en at. En Gods engel bracht Habakuk onmiddellijk terug naar de plaats vanwaar hij hem had weggevoerd.

Op de zevende dag kwam de koning naar de kuil om Daniël te betreuren. Toen hij erin keek en Daniël zag zitten, riep hij uit: “Groot bent U, Heer, de God van Daniël. Buiten U is er geen ander.” Hij trok Daniël uit de kuil en liet degenen die zijn ondergang gewild hadden erin werpen. Onmiddellijk werden ze voor zijn ogen verslonden.

De tempel van Bel wordt opgerold


De Babyloniërs hadden een afgodsbeeld, Bel genaamd, waaraan ze dagelijks twaalf mud fijn tarwemeel, veertig schapen en zes anker wijn gaven. Ook de koning vereerde het en ging het iedere dag aanbidden. Daniël daarentegen aanbad zijn eigen God. Daarom vroeg de koning hem: “Waarom aanbidt u Bel niet?” Hierop antwoordde Daniël: “Ik vereer geen beelden die door mensenhanden gemaakt zijn, maar wel de levende God die hemel en aarde geschapen heeft en Heerser is over al wat leeft.” Toen zei de koning: “Denkt u dan dat Bel geen levende god is? U ziet toch hoeveel hij dagelijks eet en drinkt!” Danieël begon te lachen en zei: “Laat u niet bedriegen, koning! Dat ding is van binnen van leem en van buiten van brons, nog nooit heeft het iets gegeten of gedronken.”

Daarop werd de koning woedend, riep de priesters van Bel bij zich en zei tegen hen: “Als jullie mij niet zeggen wie die gaven opeet, laat ik jullie ter dood brengen; als jullie echter kunnen bewijzen dat Bel ze opeet, dan zal Daniël sterven omdat hij kwaadgesproken heeft over Bel.” Daniël zei hierop tegen de koning: “Ik ben het er volkomen mee eens.”

De priesters van Bel waren zeventig in aantal, hun vrouwen en kinderen niet meegerekend. Toen de koning met Daniël naar de tempel van Bel kwam, zeiden de priesters tegen hem: “Koning, wij gaan de tempel uit; u zet zelf het voedsel klaar, u mengt de wijn en zet die erbij, waarna u de deur sluit en met uw ring verzegelt. Morgenvroeg komt u terug; als dan alles niet door Bel is opgegeten, zullen wij sterven; is het echter wel het geval, dan sterft Daniël omdat hij ons belasterd heeft.” Zij maakten zich echter geen zorgen omdat ze onder de offertafel een geheime toegang hadden gemaakt, waardoor ze regelmatig naar binnen kwamen om de gaven weg te halen.

Toen de priesters vertrokken waren en de koning het voedsel voor Bel klaarzette, liet Daniël zijn dienaren as halen en de hele tempelvloer ermee bestrooien; hiervan was alleen de koning getuige. Daarop gingen ze naar buiten, sloten de deur, verzegelden die met de ring van de koning en gingen weg. Maar 's nachts kwamen zoals gewoonlijk de priesters met hun vrouwen en kinderen, en aten en dronken alles op.

De volgende ochtend ging de koning met Daniël naar de tempel. Hij vroeg Daniël: “Zijn de zegels nog ongeschonden?” Deze antwoordde: “Ze zijn nog ongeschonden, koning.” Nauwelijks had de koning de deur geopend en een blik geworpen op de offertafel, of hij riep uit: “Groot bent u, Bel; bij u is volstrekt geen sprake van bedrog.” Maar Daniël begon te lachen; hij weerhield de koning naar binnen te gaan en zei: “Kijk eens naar de vloer en let eens op die voetstappen.” Toen zei de koning: “Ik zie voetstappen van mannen, vrouwen en kinderen.” In woede ontstoken liet de koning toen de priesters halen met hun vrouwen en kinderen; ze toonden hem de geheime deur waardoor ze naar binnen gingen om de gaven die op de offertafel stonden op te eten. Daarop liet de koning hen ter dood brengen. Bel leverde hij uit aan Daniël. Die haalde het beeld en de tempel omver.

Een huidziekte voor Mirjam


Eens verweten Mirjam en Aäron Mozes, dat hij met een vrouw uit Nubië was getrouwd. Zij zeiden tegen hem: “Heeft de Heer zich alleen maar tot jou gericht? Heeft hij ook niet met ons gesproken?” De Heer hoorde dit. Omdat hij wist dat Mozes de bescheidenheid in eigen persoon was, zei de Heer tegen Mozes en Aäron: “Ga met z'n drieën naar de ontmoetingstent.”

Toen zij daar waren, daalde de Heer neer in een wolkkolom, bleef bij de ingang van de tent staan en riep om Aäron en Mirjam. Zij kwamen allebei naar voren. De Heer zei: “Luister naar wat ik te zeggen heb. Als ik iemand kies als woordvoerder, dan maak ik mij aan hem bekend in een visioen of in een droom. Met mijn dienaar Mozes ga ik anders te werk. Ik heb hem de leiding over heel mijn volk toevertrouwd. Daarom spreek ik tegen hem niet in raadsels, maar rechtstreeks en duidelijk. Hij heeft zelfs mijn gestalte gezien. Hoe durven jullie hem verwijten te maken!” De Heer vertrok woedend. Toen de wolk boven de tent was verdwenen, zat Mirjams huid plotseling vol uitslag, wit als sneeuw.

Aäron draaide zich om en zag dat Mirjam vol uitslag zat. Hij zei tegen Mozes: “Ach mijn heer, reken ons deze dwaze fout niet aan, laat ons er niet voor boeten. Moet Mirjam als een doodgeborene blijven, van wie het vlees al half vergaan is als hij uit de moederschoot komt?” Mozes riep tot de Heer: “God, genees haar toch.”

De Heer antwoordde: “Had haar vader haar in het gezicht gespuwd, dan had ze die schande zeven dagen moeten dragen. Ontzeg haar daarom zeven dagen de toegang tot het kamp. Daarna mag zij weer terugkomen.” Mirjam werd zeven dagen buitengesloten.

Ouderwets rechtbankdrama


Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan en hun handen op haar hoofd legden, keek Susanna huilend naar de hemel want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer. Toen verklaarden de oudsten: “Terwijl we alleen in het park wandelden, kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen, sloot de poort en stuurde de meisjes weg. Daarop kwam er een jongeman naar haar toe die zich had verborgen en ging bij haar liggen. Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf opmerkten, snelden we naar hen toe en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden. Hem konden we niet te pakken krijgen omdat hij sterker was dan wij, de poort opende en wegrende; maar haar grepen we en we vroegen haar, wie die jongeman was, maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.”

De vergadering geloofde hen, omdat zij oudsten van het volk waren, en rechters, en veroordeelde Susanna tot de dood. … De Heer verhoorde haar gebed. Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in. Deze jongeman riep met harde stem: “Ik ben onschuldig aan haar bloed!” … Toen zei Daniël tegen hen: “Zet ze apart, dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.” Ze werden dus van elkaar gescheiden.

Daniël riep vervolgens een van de twee oudsten bij zich en zei: “Je bent in slechtheid vergrijsd maar nu krijg je de straf voor je zonden. Je hebt onrechtvaardige vonnissen geveld: onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken, in strijd met het gebod van de Heer: Breng iemand die onschuldig is, en in zijn recht staat, niet ter dood. Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt, zeg dan onder wat voor een boom je ze hebt samen gezien?” Hij antwoordde: “Onder een mastiekboom.” Daniël hervatte: “Die prachtige leugen kost je je kop! Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen om je in tweeën te splijten.”

Nadat Daniël hem had laten wegleiden, liet hij de ander voorkomen en zei tegen hem: “Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda! De schoonheid heeft je verleid en de wellust heeft je hoofd op hol gebracht. Zo handelen jullie met de dochters van Israël en uit angst deden zij wat jullie wilden, maar een dochter van Juda heeft niet toegegeven aan jullie slechtheid. Welnu: onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?” Hij antwoordde: “Onder een steeneik.” Daniël hervatte: “Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld! Want Gods engel staat al klaar om je met het zwaard doormidden te hakken en jullie beiden te vernietigen.”

Hierop barstte heel de vergadering los in luid gejuich en men eerde God, die redt wie op Hem vertrouwt. En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd, keerde het volk zich tegen hen en overeenkomstig de wet van Mozes voltrokken ze aan de oudsten de straf die zij in hun slechtheid hun naaste hadden toegedacht: ze werden ter dood gebracht.

Razis pleegt de moeder aller zelfmoorden


Een zekere Razis, een van de oudsten van Jeruzalem, werd bij Nikanor aangeklaagd. Hij was een man die zijn medeburgers een warm hart toedroeg, in hoog aanzien bij hen stond en vanwege zijn toewijding vader van de Joden werd genoemd. In de voorafgaande periode van de opstand had hij een veroordeling opgelopen vanwege zijn Joodse gezindheid en in zijn onwrikbare standvastigheid had hij lijf en leden voor het jodendom op het spel gezet. Om een bewijs te leveren van zijn vijandige gezindheid tegenover de Joden, stuurde Nikanor meer dan vijfhonderd soldaten om Razis gevangen te nemen. Hij was ervan overtuigd dat hij de Judeeërs met deze aanhouding een zware slag zou toebrengen.

Om zich van de toren meester te maken waarin Razis zich ophield, forceerden de troepen de hoofdingang en kregen ze de opdracht om vuur aan de deuren te leggen. Toen Razis zich van alle kanten omsingeld zag, stak hij het zwaard in zijn borst. In zijn trotse zelfbewustheid wilde hij liever sterven dan in handen van schurken te vallen, die hem zouden mishandelen op een wijze die zijn hoge afkomst onwaardig was. Maar in zijn haast had hij zich niet op de juiste plaats geraakt.

Terwijl de soldaten reeds door de poort naar binnen drongen, liep hij onverschrokken de muur op en stortte zich moedig op de menigte. Deze week snel een stuk achteruit, zodat hij in een open ruimte terechtkwam. Hoewel het bloed uit zijn zwaar gewonde lichaam stroomde, leefde hij nog. Gloeiend van verontwaardiging stond hij op, liep door de menigte heen en ging op een steile rots staan.

Reeds geheel leeggebloed, rukte hij de ingewanden uit zijn lichaam en wierp ze met beide handen op de menigte. Nadat hij de Heer van het leven en van de geest had gesmeekt ze hem weer terug te geven, stierf hij.

Hak een hoofd, en word geprezen tot in alle eeuwigheid


Toen het avond was geworden achtte het gevolg van Holofernes het ogenblik gekomen om weg te gaan. Bagoas stuurde de dienaren weg en sloot de tent van buiten af. Ieder zocht zijn legerstede op, uitgeput door het overmatig drinken. Alleen Judit bleef in de tent achter. Holofernes lag languit voorover op zijn bed; hij was stomdronken. Judit had tegen haar dienstmeisje gezegd dat ze, zoals elke dag, ook nu moest wachten bij de tent waar zij de nacht zou doorbrengen, totdat zij naar buiten kwam om, naar ze zei, te gaan bidden. Hetzelfde had ze tegen Bagoas gezegd.

Iedereen was nu weg; volstrekt niemand was in de slaapkamer van Holofernes achtergebleven. Judit stond naast zijn bed en bad in stilte: “Heer, God van alle kracht, zie in dit uur welwillend neer op het werk dat mijn handen gaan volbrengen tot glorie van Jeruzalem. Nu is het ogenblik gekomen om u te ontfermen over uw erfdeel, door mijn plan te laten slagen en de vijanden die ons bedreigen te vernietigen.”

Ze liep naar de bedstijl vlakbij het hoofd van Holofernes, pakte daar zijn zwaard, ging naar het bed toe, greep Holofernes bij zijn hoofdhaar en zei: “Heer, God van Israël, geef mij nu kracht.” Toen liet ze met alle kracht het zwaard tot tweemaal toe op zijn nek neerkomen en sloeg hem het hoofd af. Ze rolde zijn lichaam van de legerstede en trok het gordijn van de stijlen af. Kort daarna kwam ze naar buiten en gaf het hoofd van Holofernes aan haar kamenier. Deze deed het in haar levensmiddelentas.

En samen gingen ze op pad, zoals ze steeds gedaan hadden als ze gingen bidden. Nadat ze door de legerplaats heen waren, liepen ze in een boog door het ravijn, beklommen de berghelling van Betulia en kwamen bij de poort van de stad aan. Vanuit de verte riep Judit de poortwachters toe: “Doe open, doe de poort open! God, onze God is met ons; nog steeds toont Hij zijn geweldige kracht ten gunste van Israël tegen de vijand; ook vandaag heeft Hij dat weer gedaan.” Toen de mannen van de stad haar stem hoorden, haastten ze zich naar beneden, naar de poort, en waarschuwden de oudsten.

Iedereen, van groot tot klein, kwam samen, want niemand had verwacht dat ze nog zou terugkeren. Ze openden de poort om hen binnen te laten. Ze ontstaken licht en gingen in een kring om hen heen staan. Judit riep hun luid toe: 'Prijs God, prijs Hem! Prijs God, die zijn erbarmen niet aan het huis van Israël heeft onttrokken, maar in deze nacht onze vijanden door mijn hand heeft vernietigd.”

Heel het volk ontstak in vreugde. Het boog zich neer om God te aanbidden en koor riep het uit: “U bent geprezen, onze God, die vandaag de vijanden van uw volk vernietigd hebt.” En Uzzia sprak haar toe: “Gezegend bent u, dochter, door de allerhoogste God, meer dan alle vrouwen ter aarde, en geprezen is God de Heer, die hemel en aarde geschapen heeft, en die het zo heeft beschikt dat u de aanvoerder van onze vijanden het hoofd hebt afgeslagen. Zolang er mensen zijn die de macht van God gedenken, zal de herinnering aan uw vertrouwen in God blijven voortleven. Dat hebt u God tot uw blijvende roem gegeven, en laat Hem u alle goeds schenken, omdat u uw leven gewaagd hebt toen ons volk werd vernederd. Onze ondergang hebt u bezworen door rechtschapen Gods wegen te bewandelen.” En heel het volk riep: “Het zij zo! Het zij zo!”

Straf voor ongehoorzame priesters


Ik waarschuw jullie, priesters. Het is jullie taak mijn naam in ere te houden. Als je niet naar mij luistert, dan zal ik jullie voorrechten intrekken en ongeluk over je brengen. Ik moet mijn dreiging nu al uitvoeren, want jullie slaan mijn waarschuwing in de wind. Ik zal je kinderen treffen; ik zal het vuil van de offerdieren in je gezicht gooien en je zult naar de mestvaalt gesleept worden.

De aarde splijt open en slokt de zondaars levend op


Toen zei Mozes tegen het volk: "Nu zullen jullie zien, dat ik deze taak niet zelf gezocht heb, maar dat de Heer hem mij heeft opgelegd. Als deze mannen het lot ondergaan dat alle mensen moeten ondergaan, en een natuurlijke dood sterven, dan heeft de Heer mij niet gestuurd. Maar als de Heer iets ongehoords doet, dan weten jullie dat deze mensen de Heer geminacht hebben. In dat geval zal de aarde splijten en hen opslokken met al hun bezittingen, zodat ze levend naar het dodenrijk zullen gaan."

Nauwelijks was hij uitgesproken, of de aarde spleet open onder hun voeten en slokte hen op, met hun families, en ook alle aanhangers van Korach met hun bezittingen. Levend stortten zij in het dodenrijk. De aarde sloot zich weer boven hen en zij waren verdwenen. Toen de andere Israëlieten hen hoorden schreeuwen, vluchtten zij en riepen: "Lopen, anders slokt de aarde ons ook nog op."

Een goed gesprek met een ezel


Maar Barak stuurde nu nog meer leiders, van groter aanzien dan de eerste. Toen zij bij Bileam kwamen, zeiden ze: “Dit zegt Barak, de zoon van Sippor: Kom alstublieft naar mij toe. Ik zal u vorstelijk belonen en alles doen wat u zegt. Kom en vervloek dat volk.” Bileam antwoordde de gezanten van Balak: “Ik kan in geen geval ingaan tegen het bevel van de Heer, mijn God, al geeft Balak mij al zijn goud en zilver. Maar blijf overnachten zoals de anderen deden; morgen weet ik of de Heer nog iets te zeggen heeft.” God kwam 's nachts bij Bileam en zei: “Ga nu maar met deze mannen mee, maar doe alleen wat ik je beveel.”

De volgende morgen zadelde Bileam zijn ezelin. Vergezeld van zijn beide dienaren ging hij met de gezanten van Moab op weg. Toen werd God woedend en de engel van de Heer gin op de weg staan om Bileam tegen te houden. Toen de ezelin de engel met getrokken zwaard zag staan, ging ze van de weg af het veld in. Bileam sloeg de ezelin en dreef haar terug de weg op. Daarna ging de engel in een holle weg staan die door wijngaarden liep en aan weerszijden door muren was omgeven. Toen de ezelin de engel zag, drukte ze zich tegen de muur. De voet van Bileam raakte in de knel. Bileam sloeg haar opnieuw. Nogmaals ging de engel een stukje verderop. Hij ging op een plaats staan waar geen uitwijken meer mogelijk was. Toen de ezelin de engel weer zag, ging ze op de grond liggen. Bileam werd woedend en begon de ezelin met zijn stok te slaan.

Toen liet de Heer de ezelin spreken. Ze zei tegen Bileam: “Je hebt me al drie keer geslagen. Wat heb ik je gedaan?” Bileam antwoordde: “Je maakt me belachelijk. Als ik een zwaard had, zou ik je doden.” Toen zei de ezelin: “Ben ik niet je eigen ezelin? Heb ik je niet je hele leven gedragen tot op de dag van vandaag? Heb ik je ooit eerder zo behandeld?” “Nee,” antwoordde Bileam. Toen liet de Heer ook aan Bileam de engel op de weg zien met zijn getrokken zwaard, en Bileam boog zich diep, tot op de grond.

De engel zei:  “Waarom heb je je ezelin tot drie keer toe geslagen? Ik ben je tegenstander, ik ben je tegemoet gegaan, omdat je reis tegen mijn wil ingaat. De ezelin zag mij en ging drie keer voor mij opzij. Had ze dat niet gedaan, dan had ik jou gedood maar haar in leven gelaten.” Bileam zei tegen de engel: “Het was verkeerd van me. Ik wist niet dat u het was die mij stond op te wachten. Als mijn reis in strijd is met uw wil, ga ik naar huis.” De engel antwoordde: “Ga met die mannen mee, maar zeg alleen wat ik beveel.” Toen ging Bileam verder met de gezanten van Balak.

Dolle bende in de leeuwenkuil


Vroeg in de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en haastte zich naar de leeuwenkuil. Toen hij de kuil naderde, riep hij heel bedroefd: “Daniël, dienaar van de levende God, heeft de God die je zo trouw vereert, je kunnen redden van de leeuwen?” Toen antwoordde Daniël: “Majesteit, ik wens u een lang leven toe. Mijn God heeft zijn engel gestuurd om de leeuwen in toom te houden. Ze hebben mij niets gedaan. God weet dat ik onschuldig ben. En u, majesteit, heb ik op geen enkele wijze benadeeld.” De koning was bijzonder blij en gaf bevel Daniël uit de leeuwenkuil te halen. Ze trokken hem uit de kuil en zagen dat hij ongedeerd was omdat hij vertrouwd had op zijn God.

Maar de mannen die Daniël beschuldigd hadden, werden op bevel van de koning opgepakt, met hun vrouwen en kinderen. Men gooide hen in de leeuwenkuil. Ze waren nog niet op de bodem of de leeuwen grepen hen en vermorzelden hun lichamen. Toen schreef Darius aan alle bewoners van de aarde, tot welk volk zij ook behoorden en welke taal zij ook spraken: “Vrede en voorspoed komen u toe!”

De Heer vergelijkt zijn uitverkoren staten met hoeren


De Heer richtte zich tot mij: “Mensenkind, er waren eens twee zusters, geboren uit dezelfde moeder. Toen ze nog jong waren, leidden ze in Egypte al het leven van een hoer. Daar streelde men hun boezem, daar werden hun jonge borsten betast. De oudste heette Ohola, haar zuster Oholiba. Ik sloot met beiden een huwelijk en zij schonken mij zonen en dochters. Wat hun namen betreft: Ohola is Samaria, Oholiba is Jeruzalem.

Ohola was mijn vrouw, maar ze werd mij ontrouw. Haar grote hartstocht dreef haar naar andere minnaars. Die vond ze in Assur: hofdienaren in het blauw gekleed, gouverneurs en stadhouders. Stuk voor stuk knappe jongemannen, geoefende ruiters. Aan al deze hooggeplaatste Assyriërs bood zij zichzelf aan. Door haar hartstocht gedreven gaf zij zich ook af met de goden van haar minnaars. Maar de ontucht met de Egyptenaren gaf ze niet op; al in haar jeugd hadden die met haar geslapen, haar jonge borsten betast en haar als hoer gebruikt. Daarom leverde ik haar uit aan haar minnaars, aan die Assyriërs op wie ze haar zinnen had gezet. Die hebben haar ontkleed, haar zonen en dochters gevangengenomen en haar met het zwaard gedood. De zware straf die zij kreeg, was een waarschuwing voor alle vrouwen.

Hoewel Oholiba dit gezien had, werd zij nog wellustiger dan haar zuster en een nog grotere hoer. Ook zij had haar zinnen gezet op de Assyriërs, op gouverneurs en stadhouders, prachtig geklede hofdienaren, geoefende ruiters; stuk voor stuk knappe jongemannen. Ik zag hoe zij zich verlaagde en zich gedroeg als haar zuster. Maar zij ging nog verder. Eens zag ze op een muur portretten, getekend in rode verf. Babyloniërs waren het, afgebeeld met een gordel om de heupen en met een fraaie tulband op het hoofd. Zij waren gekleed als hoge officieren. Zodra ze dit zag, werd zij door een vurige hartstocht verteerd en stuurde ze boden naar Babylonië. De Babyloniërs kwamen om met haar te slapen. Maar zij misbruikten haar, zodat ze zich tenslotte vol walging van hen afkeerde. Openlijk gedroeg zij zich als een hoer, ze gaf zich schaamteloos bloot. Daarom keerde ik mij van haar af, net als van haar zuster. Maar zij wist van geen ophouden. Ze gedroeg zich net als in haar jeugd in Egypte. Ze had haar zinnen gezet op mannen die hitsig waren als ezels en bronstig als hengsten. Oholiba, je verlangde terug naar de schandelijke ontucht van je jeugd, toen de Egyptenaren je boezem streelden, toen ze je jonge borsten betastten.” …

“… Ik zal je laten voelen dat ik geen minnaars naast me duld. Zij zullen hun woede op je botvieren. Ze snijden je neus en oren af en je nakomelingen slaan ze neer met het zwaard; je zonen en dochters voeren ze gevangen weg en de verlaten stad steken ze in brand. Ze rukken je de kleren van het lijf en beroven je van je sieraden. … (enzovoorts) ...”

Gelukkig wie kinderen te pletter slaat

psalm 137:8-9

Babel, spoedig word ook jij verwoest.
Gelukkig wie jou vergelden
wat jij ons hebt aangedaan.
Gelukkig wie jouw kinderen grijpen
en tegen de rotsen te pletter slaan.